Het bijna laatste woord van Ulrich Libbrecht

 

Wij wensen prof. em. Ulrich Libbrecht, ooit thesispromotor van ondergetekende, nog vele gezonde jaren toe.  Zelf schijnt hij echter besloten te hebben dat althans zijn creatieve jaren achter hem liggen, want bij de voorstelling van het derde en laatste deel van zijn magnum opus Comparatieve Filosofie (Koninklijke Van Gorcum, Assen 2003), omschreef hij dit werk als een soort testament.  Het is alleszins ťťn van de weinige belangrijke boeken die de jongste decennia nog in het Nederlands geschreven zijn. 

 

De meeste boeken die wijsbegeerten vergelijken, doen dat op goed geluk, zonder veel methode; Libbrecht slaagt erin om een soort meta-taal te ontwerpen die verschillende systemen uit Oost en West op een gemeenschappelijke noemer plaatst.  Dat is het heilzame tegendeel van het postmoderne relativisme dat heel steriel alle systemen en culturen als onderling onvergelijkbaar en incommensurabel beschouwt.  Het werk verdient een zeer nadrukkelijke aanbeveling, zeker bij die lezers die zichzelf als intellectuelen beschouwen, maar voor een vlugge samenvatting vergt het teveel oriŽntalistische voorkennis.  We wilden het hoe dan ook over een andere pennenvrucht van UL hebben, veel toegankelijker en beknopter.

 

Het jongste Davidsfondsboek van prof. Libbrecht is op het eerste zicht nůg maar eens een inleiding over de Europese kennismaking met China.  Daar is steeds opnieuw vraag naar, want oudere werken in dat genre raken uitgeput en worden niet meer herdrukt, en inmiddels evolueert de actualiteit over China samen met het belangstellingspatroon van de Westerse lezer.  Maar dit boek heeft ook een specifieke ideologische boodschap, een aanklacht eigenlijk.  De Geelzucht van Europa: China en het Westen (Davidsfonds, Leuven 2004, ISBN 90-5826-267-7), zo heet het ietwat luguber.

 

Geelzucht is hier de samentrekking van "gele gevaar" en "hebzucht": de Europeanen stelden de Chinezen voor als een gevaar om de plundering van China te rechtvaardigen.  Bij het begin van de koloniale periode was China goed voor 31% van de wereldhandel, met India als tweede goed voor 24%.  Wie het kolonialisme als een au fond gunstige ingreep voor de samenlevingen van de "Derde Wereld" vergoelijkt, een wat brutale maar uiteindelijk bevrijdende ontmaagding door de moderniteit, moet beseffen dat de koloniale mogendheden de rollen met de Aziatische giganten maar hebben kunnen omdraaien door een gewelddadige vervalsing van de concurrentie, vaak gecombineerd met een overname ("diefstal", zeggen ze ginds) van Aziatische technologie.  De Engelse katoennijverheid werd opgebouwd met aan India ontleende technieken en kreeg vervolgens op de Indiase markt een manu militari opgelegde voordeelpositie die de inheemse nijverheid kapot maakte.  Dat het ooit spreekwoordelijk rijke India tot symbool werd van nijpende ellende was deels het werk van de voorafgaande moslimheerschappij maar in grote mate ook van het ontwrichtende koloniale kapitalisme.  Er is geen enkel bewijs dat gekoloniseerde of halfgekoloniseerde landen zoals India resp. China beter op de weg van de modernisering gezet zijn dan niet-gekoloniseerde landen zoals Japan.

 

Eťn van de moreel verwerpelijkste episoden van de koloniale geschiedenis was zeker de Opiumoorlog (1839-42, met vervolg in 1856-60), waarin Britse militaire expedities de vrije aanvoer en verkoop van verdovende middelen afdwongen, met als gevolg dat tot ťťn derde van de Chinese bevolking verslaafd geraakte.  Het was, tijdens de eerste grote bloei van het vrijemarktdenken, eigenlijk een zeer hedendaagse oorlog, want vooral gevoerd in functie van de belangen van een privť-kapitaalgroep (Sassoon) en onder dekking van moreel klinkende leuzen over "vrijheid", "openheid" en het bij de Amerikaanse aanvallen op ServiŽ en Irak nog ingeroepen "recht op inmenging".  Het begon allemaal toen keizerlijk gevolmachtigde Lin Zexu, het model van de confuciaanse ambtenaar vol verantwoordelijkheidszin, in een haven een voorraad opium in zee liet keilen.  Deze uitoefening van de nationale soevereiniteit ten behoeve van het volkswelzijn werd als een inbreuk op de vrijhandel veroordeeld en door een Britse interventiemacht "bestraft".

 

De resulterende "ongelijke verdragen" leverden aan Groot-BrittanniŽ de controle op over een reeks concessiehavens (verdrag van Nanjing 1842) en Hong Kong, en aan het christendom het recht om in China opnieuw aan missionering te doen (verdrag van Tianjin 1858); wat Lord Elgin niet belette om in 1859 in het bezette Beijing de tempels plat te branden.  In de 20ste eeuw betrokken de Chinese communisten uit deze oorlog al het benodigde bewijsmateriaal om de onmenselijke en anti-nationale aard van het kapitalisme aan te tonen.  Mogelijk verlangen ze in Kongo terug naar hun koloniale nonkels, maar in de Aziatische landen hebben ze geen last van dergelijke nostalgie.

 

Libbrecht was wiskundige vůůr hij sinoloog werd, zijn doctoraat was gewijd aan de bloeiperiode van de Chinese wiskunde onder de Song-dynastie (960-1127).  Toen stond China met de differentiaalrekening al zo ver als Europa in de 18de eeuw, maar het noodlot in de vorm van de Mongoolse bezetting maakte die voorsprong ongedaan.  Libbrechts aandacht gaat dan ook vooral uit naar de uitwisseling van wetenschappelijke kennis, een proces gepionierd door de 17de- en 18de-eeuwse jezuÔeten onder wie onze Vlaamse pater Ferdinand Verbiest.

 

De eminente sinoloog legt in detail uit waarom het christendom als religie weinig aantrekkingskracht had in China, waar men meer belang stelde in levensverlenging door gezondheidstechnieken dan in het eeuwige leven, en waar men een soort deÔsme of atheÔsme beleed dat geen behoefte had aan een transcendente godspersoon.  Bedoeling van de overdracht van Westerse wetenschap aan China was dus om langs een omweg indruk te maken en de superioriteit van de christelijke beschaving aan te tonen.  Zo was het heliocentrische model van het zonnestelsel een veel betere basis voor astronomische berekeningen, die nauwkeuriger voorspellingen van bv. eclipsen toeliet.  Dat voordeel bleef redelijk goed behouden bij het compromismodel dat na de veroordeling van Galilei aan katholieke universiteiten onderwezen werd, namelijk dat van Tycho Brahe: dit liet de andere planeten rond de zon draaien (wat een einde maakte aan de complicaties met epicykels), maar de zon wel om de aarde.  Militaire technologie was natuurlijk de kroon op het werk, zodat Verbiest zich vooral als kanonnengieter verdienstelijk maakte.  Dit overtuigde de Zoon des Hemels van het nut van Westerse kennis maar kon hem nooit tot de boodschap van Christus bekeren.

 

Libbrecht erkent het sinocentrisme van de pre- en vroeg-koloniale Chinezen, die in de Westerse bezoekers slechts barbaren zagen.  Maar dat is voor hem een veel minder problematisch gegeven dan het eurocentrisme van die bezoekers, die China als heidens beschouwden.  Het onbegrip was wederzijds, maar het Europese was veel gevolgrijker en duurzamer.  Het is ook door vele niet-Westerse volkeren verinwendigd.  De hedendaagse Chinezen zijn nog fel nationalistisch, zeg maar racistisch, doch hebben zichzelf anderzijds veelal overtuigd van de Westerse culturele superioriteit.  Doorheen de 20ste eeuw, van de republikeinen onder Sun Yixian (Soen Jat-sen) en Jiang Jieshi (Tsjiang Kai-sjek) tot de communisten onder Mao Zedong en de softcommunisten vanaf Deng Xiaoping, heeft China een racistische zelfverheerlijking gecombineerd met een "weg met ons"-beleid op cultureel gebied.  Het had geen fanatieke missionarissen of Taliban nodig om zijn tempels in brand te steken, dat klusje werd geklaard door inheemse jongeren, van republikeinse studenten in 1919 tot de roodgardisten tijdens de Culturele Revolutie in 1966.  Wie China met India vergelijkt, moet vaststellen dat India ondanks zijn kolonisatie en de dominante aanwezigheid van de Engelse taal veel meer van zijn culturele eigenheid bewaard heeft, op alle domeinen gaande van huwelijkszeden tot klassieke muziek.

 

Wie op de achterflap leest dat Libbrecht in dit boek het eurocentrisme hekelt, zal geneigd zijn om het ongelezen terug in de rekken te plaatsen.  Zo'n aanval op het eurocentrisme is momenteel toch allesbehalve origineel?  Wij worden toch om de oren geslagen met propaganda over hoe zelfs de Vlaamse Leeuw van Arabische oorsprong zou zijn (quod non) en hoe "de Chinezen/Arabieren/Maya's enz. al beschaafd waren terwijl wij nog in de bomen klommen"?  Wel, het gebeurt misschien minder openlijk dan in de koloniale tijd, maar het eurocentrisme tiert nog welig.  Net als Libbrecht heb ik zelf op internationale conferenties, zelfs over zoiets multicultureels als vergelijkende wijsbegeerte, meermalen kunnen vaststellen hoe de tussenkomsten van Aziatische geleerden als koffiepauzes behandeld worden, tenzij zij een stevige Westerse introductie hebben.  Inleidende filosofiecursussen weigeren nog steeds het etiket "filosofie" aan wat zij meewarig afdoen als "Oosterse wijsheid".

 

Soms krijgen we zelfs nog een expliciete apologie van het eurocentrisme, zoals het jongste boek van Charles Murray: Human Accomplishment. The Pursuit of Excellence in the Arts and Sciences, 800 BC to 1950 (HarperCollins, New York 2003).  Daarin telt Murray het aantal vermeldingen van uitvinders, geleerden en kunstenaars uit alle landen in algemene en gespecialiseerde naslagwerken om aldus hun relatieve belang in de wereldcultuurgeschiedenis te kunnen kwantificeren.  In feite telt hij daarmee de graad van goedkeuring volgens hedendaagse normen en vooral gewoon de graad van bekendheid.

 

Ja, de Europeanen komen met vlag en wimpel als winnaar uit dit vergelijkend onderzoek, zeker in de Griekse tijd en vanaf de 14de eeuw.  Maar daar zijn enkele eenvoudige verklaringen voor.  Ten eerste zijn vele Aziatische uitvinders en kunstenaars anoniem gebleven, en bij gebrek aan naam zijn zij en eigenlijk ook hun bijdragen niet in Murray's telling verrekend.  Ten tweede zijn zelfs de bekend gebleven namen niet in de meeste encyclopedieŽn opgenomen.  Wie heeft het papier uitgevonden, de boekdrukkunst, het kompas, het buskruit?  Allemaal Chinezen, maar zelfs de meeste sinologen kennen hun naam niet.  De moderne cultuur heeft zeer veel aan deze uitvindingen te danken, en toch hebben zij nauwelijks invloed op het percentage Chinese namen in Murray's overzicht.  Het lemma "stelling van Pythagoras" vermeldt in alle encyclopedieŽn de naam Pythagoras, niet de naam van de oudst bekende formuleerder van die stelling, namelijk de brahmaan Baudh‚yana die haar ontdekte tijdens een uiteenzetting over de constructie van het vierkantige vedische vuuraltaar.  Gegeven dat Murray zich toch gemakkelijk van dit soort feiten op de hoogte had kunnen stellen, kan men hem en zijn scheefgetrokken conclusies niet van een zeker eurocentrisch vooroordeel vrijpleiten. 

 

Libbrecht trapt dus geen open deur in wanneer hij nogmaals de vinger op de wonde van het eurocentrisme legt.  Hij onderhoudt ons dan verder over de utopische doch verwoestende Taiping-opstand, geleid door een geŽxalteerde christelijke bekeerling, bemand met door de koloniale handel verpauperde boeren, en neergeslagen door het keizerlijke leger in samenwerking met Westerlingen die de vrijhaven Shanghai bedreigd zagen; over de voortschrijdende penetratie van Westerse diplomaten, handelaars en missionarissen en de tegenstand die zij ondervonden; over de hervormingen waarmee Chinese bestuurders de achterstand op het Westen trachtten in te lopen; over de nationalistische strijd van de Vuisten der Gerechtigheid, alias de Boksersopstand (die de superioriteit van Westerse kogels boven Chinese zalfjes die krijgers onkwetsbaar moesten maken, proefondervindelijk bewees); over successen en vooral mislukkingen van de missie in de laatkoloniale periode; over de ineenstorting van de Chinese weerstand tegen de verwestersing na de val van het keizerrijk in 1912; over de Chinees-Westerse betrekkingen onder de erg Angelsaksisch gerichte Republiek en de isolationistische Volksrepubliek; en over het Chinabeeld in het Westen vandaag.

 

Libbrechts boek wordt jammer genoeg ontsierd door een zeer rommelige transcriptie van de Chinese namen.  Bij deze solliciteer ik bij het Davidsfonds naar de blijkbaar nog onbestaande functie van corrector voor exotische namen en termen.

 

Koenraad Elst


 

 

 


Home

Articles

Books

Book Reviews

Interviews

Dutch Articles

About

Download

Print

 

 

 

 

VOD Authors

VOD Home