Voorwoord
"Zo las ik een paar dagen nadat de Japanse vertaler van
De Duivels verzen was vermoord (...) dit uittreksel
uit de Koran : 'Als de heilige maanden voorbij zijn, dood
dan de ongelovigen waar ge ze maar vinden kunt, grijp
ze, breng ze in het nauw en lok ze overal in hinderlaag'.
[9:5] Er staan ons nog schone dagen te wachten als dit
naar de letter wordt genomen."
Op 9.8.1991 stond deze profetie in De Morgen. En
inderdaad : sindsdien zijn er vele tientallen vrijdenkers
in de islamwereld samen met talloze wetsdienaars en leden
van minderheden wegens "belediging van de islam" vermoord
en zijn er nog een aantal door rechtbanken veroordeeld
tot de dood, tot celstraffen, tot publikatieverbod of
zelfs tot echtscheiding van hun niet-afvallige echtgenote.
Ook in Europa zijn de "schone dagen" aangebroken : wie
de islamkritiek van de Turkse of Egyptische martelaars
voor de geestelijke vrijheid hier herhaalt, moet rekenen
op ostracisme, laster en andere "hinderlagen". Maar dat
is geen reden om het te laten.
Dit boekje is gebaseerd op artikels over de islam die
ik in de Vlaamse pers gepubliceerd heb in de periode 1989-94.
Het leek mij in die tijd belangrijk, de bevolking en vooral
de bestuursklasse te waarschuwen tegen de zeer reële kans
op een verdere islamitische greep naar de macht in sommige
delen van de wereld, ondermeer in West-Europa. Ik was
mijn eerdere sympathie voor de islam kwijtgeraakt door
een rationele studie van zijn grondslagen, maar vooral
door kontakt met de slachtoffers van de islam (zoals kontakt
met slachtoffers van het kommunisme mij eerder van een
andere illusie afhielp). Zo was ik in Delhi toen daar
begin 1990 vele van de 250.000 hindoe-vluchtelingen toe
kwamen, die door de moslims uit Kasjmir verjaagd waren.
Deze etnische zuivering is in de wereldpers doodgezwegen,
en dat heeft mij de behoefte doen beseffen aan verslaggeving
over de islam die zich nu eens niet met het moslimstandpunt
vereenzelvigt.
Van meet af aan heb ik het probleem dat niet-moslims met
moslims blijken te hebben, gedefinieerd als een ideologisch
probleem : moslims zijn mensen met dezelfde mogelijkheden
als wij, maar die tot vijandigheid jegens ons gekonditioneerd
zijn door de ideologie die Mohammed in 610-632 n.Chr.
vastgelegd heeft in de Koran. Er is hoogstens een
plaatselijk, tijdelijk en aksidenteel verband met zaken
als immigratie en verschil in huidskleur. In Arabië werd
de islam niet gebracht door een immigrant die door zijn
huidskleur opviel, maar door een stam- en landgenoot.
Evengoed was het een onverdraagzame en destruktieve religie,
die er het pluralisme vernietigde en een stalinistische
uniformiteit oplegde aan wat een bij uitstek "multikulturele"
samenleving geweest was.
De islam stelt daarom een probleem dat radikaal verschilt
van de wrijvingen die al eens kunnen optreden bij de inplanting
van uitheemse groepen mensen in een bestaande samenleving.
Ik wil niet ontkennen dat "tolerantiedrempels" en "ontworteling"
zich evenzeer kunnen voordoen bij andere groepen immigranten
dan de moslims; maar ik ben ervan overtuigd (en zie de
bewijzen dagelijks in de etnische milieus waarin ik verkeer)
dat andere gemeenschappen zich wel degelijk willen en
kunnen integreren, en dat in hun geval zelfs het behoud
van een lichte dosis exotisch erfgoed geen enkele hindernis
voor integratie vormt. Bij hen is integratie slechts een
kwestie van tijd, bij zeer vele moslims stellen we met
het voortschrijdend tijdsverloop integendeel een versterking
van de "wij tegen hen"-ingesteldheid vast.
In één van zijn eerste interviews als Vlaams-Blokvoorzitter
verklaarde Frank van Hecke dat het hem in precies dezelfde
mate zou storen als het geen moslims maar boeddhisten
betrof. Vanuit de vergelijkende godsdienstwetenschap moet
ik die achteloze gelijkstelling van moslims met b.v. boeddhisten
beslist tegenspreken. Het boeddhisme (net zoals hindoeïsme,
taoïsme) heeft geen gedetailleerde politieke doktrine
die krachtens religieuze voorschriften als normatief geldt,
de islam heeft die wel. Maar tot daar toe, het is geen
zonde, een politieke doktrine te hebben; wèl problematisch
is dat deze doktrine intrinsiek vijandig staat tegenover
al degenen die het geloof niet delen. De islam legt
aan de moslimgemeenschap de strijd tegen de ongelovigen
op als religieuze plicht.
De mate waarin de islam zijn vijandschap jegens ongelovigen
en zijn aanspraken op de politieke macht ernstig neemt,
is ruwweg evenredig met de betrekkelijke sterkte van de
moslimgemeenschap in een gegeven regio. Moslims die in
de minderheid zijn, hebben de mond vol van "multikulturalisme",
"verdraagzaamheid", de "rechten van de minderheden". Het
ware gelaat van de islam krijgt men echter pas te zien
zodra de moslimgemeenschap in de meerderheid is. Er
bestaat geen enkele land met een moslimmeerderheid waar
volledige gelijkheid der burgers ongeacht hun religie
heerst.
Bij ons heeft de islam zulke macht nog niet, maar hij
beschikt wel over een huurlingenvoorhoede die alvast de
repressie tegen islamkritiek organizeert. Voorbeelden
krijgt u in hoofdstuk 5, maar hier kan ik alvast vermelden
dat ik er zelf ook wat ervaring mee heb. Voor mij als
gediplomeerd sinoloog en indo-iranist en praktizerend
multikulturalist was mijn broodje in dit multikul-tijdsklimaat
eigenlijk gebakken; maar de dag dat ik het op mij nam
om de bedreigde kulturele verscheidenheid in sommige delen
van de wereld te verdedigen, niet tegen het wegdeemsterende
eurocentrisme maar tegen de opmarsjerende islam, gooide
ik mijn eigen ruiten in. Mijn publikaties over de islam
zijn mij komen te staan op boycots, een lasterkampanje,
en regelrechte broodroof.
Er wordt door moslims en hun pleitbezorgers volop geklaagd
over een vermeende hetze tegen de islam. Zo beweerde de
Nederlandse indoloog Peter van de Veer onlangs dat in
termen van maatschappelijke aanvaarding, "pro-moslim zijn
bijna even erg is als antisemiet zijn". (1) Dat is natuurlijk
klinkklare onzin. Van der Veer is hoogleraar, wordt gevraagd
als gastprofessor in Princeton, en krijgt zijn boeken
bij de meest prestigieuze uitgevers gepubliceerd; dat
zou hem niet lukken als de boodschap van die boeken antisemitisch
was. En ik kan eraan toevoegen : het zou hem evenmin lukken
als zijn boodschap islamkritisch was.
Het beste voorbeeld is het geval Lucas Catherine. In zijn
EPO-boek De zonen van Godfried van Bouillon, over
"de zionistische lobby in België", overschrijdt hij meermalen
de grens tussen antizionisme en antisemitisme; de Nederlandse
historikus van het antisemitisme, Philo Bregstein, noemt
hem ronduit antisemiet. Toch heeft dit hem nooit enig
probleem opgeleverd, en wel omdat zijn kritiek op de zionisten
niet vanuit katholiek of nationalistisch maar vanuit pro-islamitisch
standpunt geformuleerd is. Voor zijn diverse pro-islamitische
publikaties heeft hij in de establishment-media nooit
iets anders dan lof gekregen.
Besprekingen van de islam waarvan men vermoedt dat ze
kritisch zijn, komen daarentegen nog maar zelden de eerste
selektieronde door. Zo weigerde de UFSIA in 1993 in extremis
haar eerder toegezegde lokalen voor een lezingenreeks
over de islam, getiteld "De islam zonder sluier",
en deelde ze aan de organizatoren (het katholieke Vormingsinstituut
Wies Moens dat anders nog steeds in de katholieke UFSIA
welkom is) mee dat dit geschiedde "onder interne en externe
druk". Deze situatie is op slechts enkele jaren tijds
gegroeid; bepaalde artikels die ik in 1989-91 als vrije
tribune in Vlaamse kranten publiceerde, zouden daar (zoals
ik weet door andere artikels van gelijkaardige strekking
voor te stellen) vandaag geen enkele kans meer maken.
Er zijn ook andere vormen van onverdraagzaamheid aan het
werk, van belachelijk tot gevaarlijk. In de UIA gelastte
een vereniging haar eigen aktiviteit af uit protest tegen
het islam-debat in de zaal ernaast, nochtans een echt
pluralistisch debat met twee islam-zegslieden, islamkritici
uit het VB en de VLD, en mijzelf. In Vilvoorde waren moslim-relschoppers
opgetrommeld, en kon mijn lezing slechts doorgaan mits
politietussenkomst. Zulke dingen zijn wat zorgwekkend,
maar veel erger is dat de hoofdstroom van onze samenleving
zich ertoe laat dwingen, aan deze onverdraagzaamheid mee
te doen.
Talloze keren ben ik als spreker "gedisinviteerd". Dat
gaat zo : de vereniging of school wijst iemand aan om
een programma voor het volgende jaar samen te stellen,
die kontakteert mij, maar wanneer hij of zij dan het voorlopig
programma aan het bestuur voorlegt, zit daar wel iemand
die mijn naam kent en weet dat ik op de zwarte lijst van
de multikulturele staatsideologie sta. Eén zo'n tegenstem
is doorgaans voldoende om de hele groep brave burgers
de daver op het lijf te jagen, en dus word ik afgebeld,
meestal zonder opgave van reden, en ook volkomen ongeacht
het (vaak neutrale, geenszins de islam betreffende) onderwerp.
Via dezelfde kontakten die eerst mijn naam voor de sprekerslijst
hadden voorgesteld, kom ik dan meestal toch wel de ware
toedracht te weten. Hier hebben we meteen een objektief
kriterium om te testen in welke mate een opinie het mikpunt
van een hetze is : professor Van der Veer mag mij eens
vertellen hoe vaak hij al gedisinviteerd is wegens zijn
pro-islamitische standpunten.
Soms kan men door omstandigheden niet anders dan het verhaal
van het besluit tot disinvitatie doen. Zo deelde de Antwerpse
Volkshogeschool mij heel recent mede dat twee afgesproken
lezingen over religie in India niet konden doorgaan omdat
de stuurgroep op aangeven van Mon Detrez en Frans Boenders
zijn veto daartegen stelde. Van Mon Detrez verbaasde mij
dat niet : iemand die regelmatig de lof van het Ottomaanse
rijk op de Balkan zingt, heeft er alle belang bij om de
feiten betreffende de islam buiten beeld te houden, en
het is maar te verwachten dat zulke mensen hun invloed
gebruiken om overtreders van het taboe op islamkritiek
te treffen.
Van Frans Boenders verraste deze Berufsverbot-interventie
mij wel een beetje. Ik herinner me van hem een wederwoord
(in het ter ziele gegane linkse weekblad Toestanden, dat
de "debatkultuur in Vlaanderen" wou bevorderen, en waarin
ikzelf mijn allereerste stuk over de islam publiceerde,
n.l. over de toen kersverse Rushdie-zaak) op een artikel
van Frans Verleyen waarin deze een amalgaam gemaakt had
van Ajatollah Chomeini en de Dalai Lama, allebei immers
"theokraten". Boenders wees terecht op het intrinsiek
irrationele en onverdraagzame karakter van de islam, en
kontrasteerde dit met het vrije onderzoek als basis van
het boeddhisme. Blijkbaar behoudt de media-elite zichzelf
het recht voor om haar gedacht te zeggen, en wil zij dat
recht niet met gewone stervelingen delen. In ieder geval
: dat zelfs een brave man als Frans Boenders aan deze
heksenjacht (links zou het "McCarthyisme" noemen) meedoet,
is veelzeggend voor de veralgemening van het taboe op
islamkritiek.
De zegsvrouw van de Antwerpse Volkshogeschool checkte
ook of ik niet "van het Vlaams Blok" was. Nee, zei ik,
ik ben lid van een andere partij, dat moet een kwakkel
zijn. Jamaar, ze had daar een artikel vóór zich
liggen (er houdt blijkbaar iemand een dossier over mij
bij) waarin ik beweerde dat de enige oplossing voor het
samenlevingsprobleem met moslims bestaat in hun volledige
assimilatie. Nou, zei ik, dat is toch het diametraal tegendeel
van het VB-standpunt ? Maar toch was het niet aanvaardbaar,
zei ze, "want wij zijn voor het pluralisme". Natuurlijk,
ik ben ook voor het pluralisme, en daarom juist bekritizeer
ik de vijanden van het pluralisme; tot voor kort was
dat vooral het kommunisme, vandaag is dat vooral de islam.
Multikulturalisten trachten andersdenkenden wel eens de
mond te snoeren met redeneringen als : "Geen demokratische
rechten voor de vijanden van de demokratie". Ik noteer
echter dat zij die niet toepassen op de belangrijkste
dreiging voor de pluralistische demokratie, wel op degenen
die over die dreiging rapporteren.
Linkse "extreem-rechts"-deskundigen beschuldigen partijen
als het Vlaams Blok wel eens van "biologizering van de
kultuurverschillen" : enerzijds zeggen dat het hun niet
meer om ras- maar om kultuurverschillen te doen is, anderzijds
de kultuur van immigranten als een onwrikbaar en onvervreemdbaar
gegeven behandelen, even inherent als iemands ras. De
multikulturalisten maken zich echter aan precies dezelfde
biologizering schuldig. Met beroep op het "pluralisme"
doen zij alsof Marokkanen nu eenmaal moslim zijn, en wij
dat dus maar moeten aksepteren. Welnu, er is niets intrinsiek
islamitisch aan Marokkanen, de islam is hun destijds met
geweld of minstens met sociale druk opgelegd, en er is
geen enkele reden om hen daarin vast te houden.
Ik ga niemand op de pijnbank leggen wegens zijn geloof
in een platte aarde, maar daarom ga ik dat geloof nog
niet aksepteren, in de zin van : onderwijs in dat geloof
subsidiëren, verbroederingen tussen plat-aardlingen en
anderen organizeren om het wederzijds begrip te bevorderen,
en al die andere islamvriendelijke spelletjes waar het
multikul-establishment belastinggeld tegenaan gooit.
De islam is een schadelijk bijgeloof dat we zijn gevangenen,
de moslims, vriendelijk doch beslist uit het hoofd moeten
praten. Kijk, als je kind van tien of vijftien of twintig
jaar door een bizarre indoktrinatie nog steeds in Sinterklaas
blijkt te geloven, zou je het dan niet als een dringende
plicht beschouwen, het eens over de ware toedracht te
informeren ? Ik herinner mij nog goed hoe ik verontwaardigd
was toen mijn zus mij op mijn zes jaar de ware toedracht
over Sinterklaas vertelde, en ik verwacht dezelfde verontwaardiging
bij moslims die b.v. in de Mohammed-studie van dr. Somers
de ware toedracht over de Koran-"openbaring" vernemen.
Hoe dan ook, we moeten allemaal op zekere dag de sprookjeswereld
ontgroeien en de werkelijkheid onder ogen zien, dus het
getuigt van weinig naastenliefde om medemensen in zulke
achterhaalde waan te laten. Het speelgoed in de laars
bij de schoorsteen is daar nu eenmaal niet door Sinterklaas
gelegd, en de woorden van de Koran zijn nu eenmaal niet
door de aartsengel Gabriël ingefluisterd.
Het is volstrekt zeker dat de islam zal verdwijnen, en
ik maak me sterk dat de kruciale wending in die evolutie
slechts enkele decennia van ons verwijderd is. Wij moeten
aan dit proces meewerken door na te denken over een integraal
alternatief voor zowel de in wezen achterhaalde geloofssystemen
als de geestelijke verwarring die de moderne wereld tekent.
Maar in afwachting van deze kulturele evolutie moeten
onze beleidvoerders goed beseffen dat de islam vooralsnog
een te duchten uitdager is. Zij moeten ophouden met hun
politiek van zelfbedrog en leugentjes om bestwil : de
wereld is een te onveilige plaats om zonder degelijke
terreinkennis door te komen.
Toch gaat het er in de hedendaagse islamkritiek niet (meer)
om, niet-moslims voor de moslims te waarschuwen. Nu er
steeds meer geboren en getogen moslims zelf de mentale
ketenen van hun geloof afwerpen en op gevaar van hun leven
hun steentje bijdragen tot het doorprikken van Mohammeds
dogma's, moet het doel niets minder zijn dan de emancipatie
van alle moslims uit de waan van de Profeet (vrede zij
met hem).
Leuven, 15 januari 1997 (Europees Jaar
tegen Racisme)
1. De profeet
1.1. Zo wordt men profeet
Mohammed werd volgens de traditie geboren in 570, als
telg van een verarmde zijtak van de dominante Qoraisj-clan.
Hij ver loor zijn vader nog voor zijn geboorte, en zijn
moeder zou enkele jaren later volgen. Hij werd opgevoed
door zijn grootvader, en na diens dood door zijn oom Aboe
Taalib, de vader van Ali.
Mohammed trad in dienst bij Chadiedja, tweevoudig weduwe,
die een handelsfirma leidde. In de hedendaagse islam-apologetiek
zegt men vaak dat de status van de vrouw in de islam misschien
niet aan moderne normen beantwoordt, maar in vergelijking
met het heidense Arabië toch een grote vooruitgang betekende.
De feiten betreffende Chadiedja bewijzen het tegendeel
: als weduwe had zij het bedrijf geërfd, dus heidense
vrouwen konden volwaardig erfgenaam zijn; en zij leidde
het bedrijf zelf, want de heidenen vonden het blijkbaar
normaal dat een vrouw gezagsfunkties bekleedde. Onder
de islam zouden zulke vrouwen zeldzaam worden.
Als handelsreiziger legde Mohammed regelmatig de route naar
de christelijke metropool Damaskus af, via Medina en Pales
tina. Hij moet dus ook wel Jeruzalem bezocht hebben, dat
immers pal op die route ligt. Dit detail is niet onbelangrijk,
want later overtuigt hij zijn volgelingen van de echtheid
van zijn wonderbaarlijke nachtelijke reis (de mi'raadj)
op een gevleugeld paard naar Jeruzalem door hun een akkurate
beschrijving van de stad te geven. (2) Natuurlijk had hij
geen mirakelreis nodig om Jeruzalem met eigen ogen gezien
te hebben.
Chadiedja wees enkele huwelijksaanzoeken af, en huwde op
eigen voorstel de meer dan tien jaar jongere Mohammed. Zij
bleef tot aan haar dood in 619 zijn enige vrouw; pas na
zijn opgang in Medina vanaf 622 zou hij polygaam worden.
Chadiedja schonk Mohammed twee zonen en twee dochters, van
wie Fatima later een belangrijke rol zou spelen als vrouw
van Mohammeds neef Ali. De zoontjes stierven al vroeg, en
ook in latere huwelijken zou Mohammed geen zonen hebben.
De afwezigheid van een evidente troonopvolger leidde na
Mohammeds onvoorziene dood in 632 n.Chr. tot betwistingen
en uiteindelijk tot een splitsing in de islam, n.l. tussen
soennieten (van soenna, "traditie") en sji'ieten
(van sji'a, "partij", m.n. de partijgangers van Ali's aanspraken
op het leiderschap van de moslimgemeenschap). Toch proberen
islam-apologeten naarstig om een positieve betekenis te
geven aan het feit dat de profeet geen zoon had : in Zijn
wijsheid zou Allah het zo geregeld hebben dat de mensen
zich op Mohammeds goddelijke boodschap moesten verlaten,
in plaats van op Mohammeds menselijke nakomelingen.
In 610 n.Chr. krijgt Mohammed zijn eerste visioenen. Wanneer
hij ligt te slapen op de afgelegen plaats waar hij zich
jaarlijks tijdens de maand Ramadaan terugtrekt voor gebed
(tahannoeth) (3), verschijnt hem de engel Gabriël.
Mohammed zal dit later beschrijven als een zeer benauwende
ontmoeting. Het is dan dat hem het beroemde vers toegeroepen
wordt dat begint met het bevel : "Lees !" (iqra';
wellicht eerder te begrijpen als "Lees voor !", d.w.z. "Verkondig
!"). (4) Hijzelf is hier eerst zo van onder de indruk dat
hij zelfmoord wil plegen. Hij vraagt zich af of hij soms
een bezetene wordt, wat hij een verachtelijk soort mensen
vindt. Hij gaat dus de berg op om zich eraf te storten.
Maar halfweg hoort hij een stem uit de hemel : "O Mohammed,
gij zijt de apostel van God en ik ben Gabriël." Hij blijft
staan, ziet in de hemel langs alle kanten de engel in de
gedaante van een man. Na een tijdje verdwijnt Gabriël, en
Mohammed keert naar huis terug.
Maar ook dan nog zegt hij tot Chadiedja dat hij helaas
een bezetene geworden is. Zij echter stelt hem gerust,
en wel als volgt. (5) Wanneer hij weer zijn "bezoeker"
ziet verschijnen, vraagt hij Chadiedja om opheldering
: is het een engel of een duivel ? Zij nodigt hem uit
tot geslachtsgemeenschap, en zodra hij haar penetreert,
verdwijnt de bezoeker. Deze afkeer van de geest voor zinnelijke
lusten legt Chadiedja zo uit, dat het een engel moet geweest
zijn, want een duivel zou op dat ogenblik natuurlijk dicht
bij de aktie gebleven zijn. (6) Hij went aan de regelmatig
terugkerende hallucinaties, die stilaan een minder dramatisch
en meer roetinematig karakter krijgen. (7) Toch zal hij
ze nog drie jaar alleen in intieme kring bekend laten
worden, totdat Allah zelf hem beveelt, ermee in de openbaarheid
te treden.
De stem van Gabriël keerde regelmatig terug, en zijn openbaringen
werden opgetekend en later gebundeld tot de Koran. Enkele
familieleden (Chadiedja, Ali) erkenden Mohammed als spreekbuis
van God, en hij werd de leider van een geheime sekte.
Toen de Mekkanen er stilaan lucht van kregen, vonden ze
het maar een gekke bedoening, zowat dezelfde reaktie die
moderne mensen hebben tegenover deze of gene nieuwe sekte
die het nieuws haalt. Sommigen zeiden dat hij bezeten
of gestoord was, anderen dat hij een fantasierijke bedrieger
was die zijn "openbaringen" zelf uitvond. Alleszins was
de goegemeente niet geneigd zijn aanspraak op een goddelijke
zending te geloven.
1.2. Psychopathologische diagnose
In de Koran blijkt dat sommigen Mohammed voor een fantasierijk
"dichter" hielden, en zijn openbaringen voor "verdichtsel".
(8) Tevens is er een tiental keer sprake van de opwerping
dat Mohammed "bezeten" is. (9) Andere passages betreffende
gelijkaardige opwerpingen tegen vroegere profeten behoren
klaarblijkelijk eveneens tot een polemiek tegen de karakterizering
van Mohammed als een "bezetene". (10) Bezetenheid was
een toenmalige niet-technische term voor eender welke
mentale aandoening. Ook dronkenschap werd opgevat als
een soort van kortstondige bezetenheid door een geest
die blijkbaar in de alkohol woont (vandaar de in sprookjes
erg letterlijk opgevatte uitdrukking "de geest in de fles",
en de zegswijze dat men de geest die uit de fles losgelaten
is, er niet meer terug in kan stoppen, d.w.z. de dronkenschap
kan men niet meteen doen ophouden). Elke geestesverandering
waarbij iemand niet meer als zijn bekende zelf spreekt
of handelt, werd beschreven als "bezetenheid".
Nu is het eigenlijk Mohammed zelf die verklaarde dat hij
in zeer letterlijke zin door een geest bezeten was, namelijk
door Allah die hem als spreekbuis gebruikte. Zelf als
kanaal gebruikt worden door een ander wezen, dat is per
definitie wat men bezetenheid noemt. De Mekkanen geloofden
meestal wel in djinns, wezens die tot het geestenrijk
behoorden doch qua moraal en intellekt weinig van de mens
verschillen, en b.v. goedaardig danwel boosaardig kunnen
zijn (dit i.t.m. de engelen, die zuiver instrument van
Gods wil zijn). Dat djinns er belang in stelden, bezit
te nemen van een mens, dat was nog aannemelijk, maar dat
de Schepper van het heelal zich hiermee zou bezighouden,
gold als absurd. Te meer daar de zogezegde openbaringen
van de bezitnemende geest via Mohammed wat al te banaal
waren om van goddelijke oorsprong te kunnen zijn.
Kroongetuigen binnen Mohammeds kamp uitten eveneens hun
skepsis. Mohammeds eerste sekretaris, die jarenlang zijn
openbaringen genoteerd had, besloot uiteindelijk dat het
maar doorgestoken kaart was. Ook zijn lievelingsvrouw
Aisja deed wel eens sarkastisch over het feit dat die
openbaringen toch altijd zo merkwaardig goed in Mohammeds
kraam pasten, en hem b.v. in zijn seksueel leven altijd
zo gauw op zijn wenken bedienden (zo verleende Allah hem
toestemming om, tegen de heersende incest taboes in, met
de ex-vrouw van zijn aangenomen zoon te trouwen). Het
is dus beslist niet waar dat de moderne uitleg van Mohammeds
"openbaringen" een projektie is van moderne ideeën op
middeleeuwse verschijnselen die zich aan deze moderne
kategorieën onttrekken. Mohammeds eigen tijdgenoten vonden
dat er met die "openbaringen" iets niet klopte, ook al
waren ze het niet eens over het bedrieglijke danwel pathologische
karakter ervan.
Een aantal bekende figuren uit de profetisch-monotheïstische
traditie zijn in de loop van deze eeuw reeds door psychologen
onder de loep genomen. Aldus heeft Freud over Mozes geschreven,
Jung over Job, en een hele reeks psychologen over Jezus.
Ook van Mohammed, over wie we een schat aan eerstehandse
informatie bezitten, is een psychologische diagnose gemaakt,
en wel door de Vlaamse psycholoog dr. Herman Somers in het
boek Een andere Mohammed [Hadewijch, 1992]. Dit boek
is van absoluut historisch belang. Toch leidt het een zeer
marginaal bestaan, want zelfs de uitgever heeft de publiciteit
ervoor tot een strikt minimum beperkt; hij heeft wellicht
al genoeg moed getoond door het boek überhaupt uit te geven.
Op lange termijn is het echter vol strekt zeker dat Somers'
Mohammed-studie prominent vermeld zal worden in toekomstige
overzichten van de islamgeschiedenis, met name als nagel
in de doodskist van de religie van Mohammed.
Een gelijkaardige, hoewel nog niet altijd even vakkundige
benadering vinden we bij auteurs van moslim-herkomst, b.v.
in het arabischtalige boek Een psychologische analyse
van profeten [Kaïro, 1996] van de Egyptenaar Abdoellah
Kamaal, dat in Egypte op aandringen van de Islamitische
Akademie voor Onderzoek van Al-Azhaar (de gezaghebbende
Islam-hogeschool) verboden is. (11) Ook in de moslimwereld
is het vrij onderzoek uiteindelijk niet te stuiten, en leeft
de twijfel aan het dogma van het profetisme.
Een Profeet is iemand die de stem Gods hoort. Deze subjektieve
ervaring komt uitsluitend voor bij mensen met een ongewone
psychologische konstitutie. In het geval van Mohammed hebben
we voldoende authentiek getuigenis over zijn persoonlijkheid
om ons een beeld van de psychologie van zijn profeetschap
te kunnen vormen. De Koran, de Hadieth (overlevering
betreffende de woorden en handelingen van de Profeet) en
de vrome biografieën beginnend met de Sirat Rasoel Allah
van Ibn Ishaaq geven een heleboel rechtstreekse en onrechtstreekse
informatie over Mohammed. Laat ons dit materiaal eens door
het oog van de psycholoog bekijken.
In de christelijke polemische geschriften is eeuwenlang
beweerd dat Mohammed aan epilepsie leed. De reden hiervoor
is de vermelding dat hij tijdens de openbaringsmomenten
met het schuim op de mond op de grond viel. Volgens Somers
gaat het hier waarschijnlijk slechts om een "epileptisch
aksident". Als de Profeet aan kronische epilepsie geleden
had, dan zouden we er in de omvangrijke geschriften over
de Profeet stellig meer van gehoord hebben. Overigens is
epilepsie een neuropathologische aandoening, een ziekte
van het zenuwstelsel, maar niet een mentale stoornis. Vele
epileptici uit de geschiedenis hadden een standvastig temperament
en een evenwichtig en suksesvol leven. Hoogstens kan de
vermelding van een epilepsie-achtige aanval een aanwijzing
zijn van een kwetsbare neurologische toestand die de fysiologische
basis voor een mentale aandoening zou kunnen vormen. Op
zichzelf wettigt deze vermelding geen vermoeden van mentale
stoornis, wel kan ze bovenop soliedere aanwijzingen als
korroboratie dienen. Die aanwijzingen zijn er echter: zoals
we zullen zien, gingen deze epileptische krisissen gepaard
met hallucinaties. De Hadieth beschrijft dat Mohammed
tijdens de trance uit zijn voorhoofd zweette, dat zijn aangezicht
van kleur veranderde, dat hij schuim op de lippen kreeg
en zijn hoofd introk. Hijzelf zei dat de trance (wahi)
"tot mij komt als belgerinkel dat erg pijnlijk is voor mij...
soms komt een engel in mensengedaante tot mij en hij spreekt".
(12)
Rond zijn 40 jaar, een typische leeftijd voor het akuut
worden van paranoïa, begint Mohammed te lijden aan sensorische
(visue le maar vooral auditieve) hallucinaties. Inhoudelijk
geeft de stem die hij in zijn hallucinatie hoort, vorm aan
een uitverkiezingswaan : hij denkt dat Allah tot
hem spreekt, hoewel er absoluut niets is in de hele Koran
dat niet vanuit Mohammeds kulturele en persoonlijke achtergrond
begrepen kan worden.
De fundamentele uitverkiezingswaan werd, typisch, verdedigd
met een interpretatiewaan : alle feiten die het waanidee
weerleggen, worden zo begrepen dat ze de waan juist bevestigen.
B.v., de skepsis die hij ontmoette, integreerde hij meteen
in zijn waan : waren de joodse profeten niet eveneens op
spot en ongeloof onthaald ? Op onbegrip stuiten was dus
geen weerlegging maar juist een bewijs van zijn profeetschap.
Of b.v., hij stelde vast dat de joods-christelijke traditie
geen voorspelling bevat over hem zelf, noch de informatie
dat Adam en vervolgens Abraham in Mekka de Kaäba bouwde
(wat hijzelf beweerde om de heidenen als "usurpators van
de Kaäba" te kunnen voorstellen). In plaats van hieruit
het waan-karakter van zijn profeetschap en van zijn eigen
Abraham-Kaäba-mythe af te leiden, legde hij dit uit als
het resultaat van bijbelvervalsing door joden en christenen
- en die vervalsing werd zelf dan weer een bewijs te meer
dat hij, als een echte profeet, het slachtoffer was van
tegenkanting vanwege het establishment. Hij betrok ook uitspraken
van Jezus over de Verlosser en de komende Heilige Geest
op zichzelf. (13)
Enkele prodromen, n.l. hallucinaties en neuropathologische
krisissen tijdens Mohammeds jeugd, zijn eveneens vermeld.
Zo laat Mohammeds postuum biograaf Ibn Ishaaq de Profeet
vertellen hoe hij als jongen zijn lendendoek uitdeed en
gebruikte om stenen te dragen, waarop "een onzichtbare figuur
mij een zeer pijnlijke mep gaf en zei : 'Doe je doek aan',
zodat ik als enige van de jongens mijn lendendoek aanhield
en de stenen op mijn schouders droeg". (14) Reeds als zesjarige
zou hij zijn omgeving geschokt hebben door een aanval van
"bezetenheid". De familie aan wie hij tijdelijk uitbesteed
was, zond hem terug naar zijn clan uit vrees dat het erger
zou worden en zij de schuld zou krijgen.
Hindoe yogi's zoals Swami Vivekananda (ca. 1890) hebben
een iets mildere verklaring gezocht voor Mohammeds eigenwaan
en hallucinaties. Wie zich zonder bekwame leiding aan
experimenten met bepaalde meditatietechnieken waagt, kan
zich in bewustzijnstoestanden werken die niet meer verheffend
maar inte gen deel abnormaal en verwarringwekkend zijn.
De islambronnen vermelden in enig detail hoe Moham med
zich terugtrok om, inderdaad alleen en zonder leiding,
een bepaalde reli gieuze gestemdheid te kultiveren.
Deze uitleg was, weliswaar heel minoritair, ook in de
christelijke polemiek al bekend. Ze werd b.v. door de
17de-eeuwse Utrechtse protes tantse theoloog Gisbertus
Voetius, die de eerste Indonesië-zendelingen ideologisch
klaarstoomde, vernuftig in zijn propaganda ingewerkt.
Hij erkende dat Mohammed aan waanzin leed, en dat hij
door zijn tijdgenoten en zelfs door sommige van zijn vrouwen
als een gek en een bezetene herkend was. Als bijkomende
uithaal tegen de katholieken verklaarde hij Mohammeds
mentale afwijkingen als het gevolg van zijn geëxperimenteer
met christelijk-monachistische (door het protestantisme
afgeschafte) praktijken, zoals vasten en nachtwaken in
eenzame grotten. (15)
De beschrijving van prodromen tijdens Mohammeds kinderjaren
pleit echter tegen deze verklaring van zijn waanzin vanuit
onverstandige meditatiepraktijken. Blijkbaar ging het
toch om een lichamelijk bepaalde ziektetoestand.
1.3. Onverdraagzaamheid als symptoom
Mohammed was uiterst onverdraagzaam tegen alwie zijn waan
in twijfel trok. Zoals vele paranoïde mensen was hij echter
verstandig genoeg om te weten hoever hij kon gaan in het
beledigen en uitdagen van andersdenkenden : pas toen hij
in Medina over een legermacht beschikte, gaf hij de ongelovigen
de keuze tussen de bekering en de dood. Bij zijn veroveringen
wist hij zeer goed wanneer te zalven en wanneer te slaan,
in funktie van zijn strategische objektieven. Maar reeds
in Mekka ging hij af en toe wild te keer tegen de gevestigde
kultuur en tegen al wie niet in zijn aanspraken op profeetschap
geloofde.
Mohammeds haat tegen skeptici nam ondermeer de vorm aan
van kosmische katastrofe-visioenen : hellevuur waarin
Allah mensen roostert en vilt, het vel weer laat aangroeien,
en herbegint. Dit kosmisch visioen was echter zeer egocentrisch
: al wie weigert in Mohammeds aanspraken te geloven (en
zelfs al wie er nooit van gehoord had, zoals de voorouders),
komt in deze hel terecht. Het gaat er totaal niet om of
je vroom of deugdzaam bent, het enige kriterium voor hemel
of hel is of je in Mohammeds zelfbeeld als uitverkoren
Zegel der Profeten gelooft. Overigens ziet Mohammed het
einde van de wereld en het Laatste Oordeel als heel nabij,
- een voorspelling waarin hij zich, net als Jezus en Paulus
zes eeuwen eerder, schromelijk vergist.
Deze persoonlijke onverdraagzaamheid resoneerde wonderwel
met de doktrinaire onverdraagzaamheid van de monotheïs
tische tradities waarin Mohammed inspiratie gevonden had.
Enkele decennia eerder hadden joodse en christelijke heersers,
ondermeer de negus van Ethiopië, in Arabië een bloedige
strijd uitgevochten, met vooral de heidense Arabieren
als slachtoffers. Zij hadden ook gepoogd, het mono theïsme
met geweld op te leggen, en de Ethiopische generaal Abraha
had in 570 zelfs een poging gedaan om Mekka in te nemen
en te verwoesten. De heidenen moesten bijgevolg niets
hebben van de beide mono theïsmen. Daarom weigerden ze
later b.v. om de tekst van een wapenstilstand met Mohammed
te laten voorafgaan door een aanroeping van "de barmhartige,
de erbarmer" (al-rahmaan, al-rahiem) : dit waren welbekende
epitheta van de God van de monotheïsten, dus met zeer
negatieve konnotaties beladen. Mohammeds Arabische versie
van het monotheïsme bevestigde alles wat zijn landgenoten
aan onverdraagzaamheid met het monotheïsme associeerden.
De islam kent eigenlijk twee grondig verschillende godsbeelden.
Het ene is de Oudtestamentische Jahweh, de grillige en
jaloerse god die zich voortdurend met de mensenwereld
bemoeit : via straffende rampen als de zondvloed en de
plagen van Egypte, via de keuze van bepaalde uitverkoren
segmenten der mensheid, via orders om hele volkeren uit
de roeien (de Kanaänieten en Amalekieten), via het sturen
van Zijn Eniggeboren Zoon, en via het influisteren van
boodschappen aan zogenaamde profeten. Dit is de God die
geen andere goden naast zich duldt, en alle andersgelovigen
via de Heilige Oorlog wil verdelgen of minstens in het
gareel dwingen.
Per definitie is de Koran als goddelijke openbaring vol
van de bemoeizuchtige God. Toch heeft de islamitische theologie
tegelijkertijd een ander godsbeeld ontwikkeld, dat enerzijds
veel konsekwenter het monotheïsme toepast, en anderzijds
dicht bij het deïstische godsbeeld (le Dieu horlogier)
staat. Allah is de gans Andere, die volledig boven alle
beslommeringen van de schepselen verheven is. Voor de sentimentele
en antropocentrische verhaaltjes van progressieve christenen
of liberale joden, genre "God heeft de mens als partner
nodig", is hier totaal geen plaats : God heeft Zijn schepselen
niet nodig en wordt totaal niet beroerd door menselijke
emoties. Joodse en christelijke monotheïsten plach ten te
spotten met de antropomorfe goden van b.v. de Grieken, maar
welbeschouwd is hun eigen godsbeeld ook behoorlijk antropomorf
: kwaad worden op de mensheid (vandaar de zondvloed), bang
zijn voor de steeds knapper wordende mens (vandaar de spraakverwarring
van Babel), een voorkeur hebben voor één volk, in een vlaag
van medelijden met de mensen Zelf als Mensenzoon inkarneren,
gevoelig zijn voor gebeden.
Dan is het logischer om God te definiëren als de gans
Andere, volledig inkommensurabel met Zijn schepselen.
God heeft de wereld in gang gezet, als een opgewonden
horloge, en laat de geschapen natuurwetten het zaakje
verder regelen, zonder nog ooit tussen te komen. Aangezien
God niet ingrijpt in het noodlot dat Hij aan het begin
der tijden vastgelegd heeft, en ook niet beïnvloedbaar
is, heeft bidden tot God geen enkele zin, tenzij dan om
God te prijzen en de grootheid van God in het eigen bewustzijn
te fixeren. Het is in principe in die geest dat de moslims
dagelijks vijf keer bidden, niet om gunsten af te smeken.
Moslims gaan er dan ook prat op, een "rationeler" godsbeeld
te hebben dan de al te menselijke godsopvattingen van
joden en christenen.
Dit godsbeeld, van een God die ons ooit geschapen heeft
maar nu slechts afstandelijk op ons neerkijkt, kan eventueel
iets met Mohammeds relatie met zijn zeer vroeg gestorven
vader te maken hebben. Als mensen uit de psycho-analytische
denkrichting zich meer voor Mohammed geïnteresseerd hadden,
zouden ze ongetwijfeld zulke verklaring ontwikkeld hebben.
Tegelijk (en het één sluit hier het ander niet uit) kan
dit godsbeeld ook teruggaan op het statuut van Allah in
het Arabische heidendom. Allah (uit al-Ilah, "de god",
vgl. H
ebreeuws Eloha/Elohim) was voor de polytheïstische
Mekkanen een soort overkoepelende God die, anders dan b.v.
Hoebal, al-Oezza, al-Laat en Manaat, niet afgebeeld werd.
Zoals in andere polytheïstische pantheons zat er bovenaan
de hemelse hiërarchie een deus otiosus, een "nietsdoende
God" die het verkeer met de mensenwereld aan de mindere
goden overliet (te vergelijken met de vervanging van God
als aanroepene in katholieke smeekgebeden door Onze-Lieve-Vrouw
en de heiligen). Wellicht appelleerde dit afstandelijke
godsbeeld aan Mohammeds verlangen naar zijn aan hemzelf
onbekende vader, maar vulde hij deze Allah gaandeweg in
met flarden joodse en christelijke theologie, en transformeerde
hij Allah zo tot de jaloerse Mozaïsche Jahweh, wat dan weer
goed resoneerde met zijn eigen onverdraagzaamheid.
1.4. Waarom wezen de heidenen Mohammed af?
Terwijl veel geestelijk gestoorde mensen al dra uitgestoten
worden of een heel vernederende behandeling krijgen, had
Mohammed het geluk dat hij om zijn stemmenhoorderij juist
door een schare volgelingen geëerd werd. In zekere zin
knoopte hij aan bij de sjamanistische traditie, waarin
mensen met een zekere paranormale gevoeligheid tijdens
geestreizen instrukties krijgen en deze vervolgens aan
hun stamgemeenschap meedelen. Ook psychopathologische
verschijnselen werden in zulke kulturen wel eens, voorzover
ze niet àl te onsamenhangend waren, als goddelijke openbaringen
aanvaard. ssss
Het bekendste en meest suksesvolle voorbeeld hiervan is
Djengis Khan, ironisch genoeg een naam die moslims slechts
fluis te rend uitspreken omdat hij miljoenen Iraanse moslims
in Centraal-Azië vermoordde, waarschijnlijk de grootste
moslimdoder uit de geschiedenis. (16) Net als Mohammed kreeg
hij epilepsie-achtige krisissen waarbij hij in trance ging
en de geest (opgevat als de hemelgod Il-Tengri) door hem
sprak. Een sekretaris schreef alles netjes op, en de gegeven
"goddelijke instrukties" werden nadien vroom uitgevoerd
: Rusland onderwerpen, Iran uitmoorden e.d. Als men deze
woorden van Il-Tengri tot een boek gebundeld had, had het
met evenveel recht als de Koran voor Gods definitieve openbaring
kunnen doorgaan. De beschrijving van Djengis Khans profeetschap
danken we aan de moslim-historicus Minhaadj-oes-Siraadj,
die het van ooggetuigen had, maar die in zijn beschrijving
blijkbaar de treffende gelijkenis met Mohammeds wahi
niet opmerkte. (17) Net als vele Mekkanen bij Mohammed,
schreef Minhaadj de trance van Djengis toe aan demonen die
bezit van hem namen.
Zoals vele sektestichters vandaag de dag wist Mohammed
wel een aantal mensen te overtuigen, maar buiten de kring
van goedgelovige halfgeletterden werd het moeilijker.
De meeste Mekkanen die hem bezig hoorden, met zijn bombastische
verklaringen over God en het Laatste Oordeel en zijn eigen
uitverkiezing tot ultieme Profeet, wisten perfekt wat
ze ervan moesten denken : de keizer heeft geen kleren
aan ! Behalve de ongelovigen waren ook huisgenoten van
Mohammed eerder skeptisch; zelfs zijn favoriete vrouwen
Aisja en Zainaab merkten op dat zijn "openbaringen" soms
wat te opvallend in zijn persoonlijke kraam pasten. Dat
Mohammed geestelijk gestoord was, is geen uitvindsel van
middeleeuwse christelijke polemisten, maar de spontane
perceptie van talloze ooggetuigen. De moderne psychologie
kan deze diagnose alleen bevestigen.
Toen Mohammed aanspraak op erkenning als profeet begon
te maken, kwam hij in konflikt met de heersende clans
van Mekka. Dit was toen reeds een bedevaartcentrum, met
naast de gewone godsbeelden ook de uit de hemel gevallen
zwarte steen, opgesteld in de Kaäba. De tegenwoordig veelgehoorde
versie dat deze clans Mohammeds aanspraken op het profeetschap
verwierpen omdat een verandering van religie hen van inkomsten
zou beroven, is louter propaganda : nadat ze onder druk
tot de islam bekeerd waren, zagen de Mekkaanse zakenlui
hun inkomsten juist aanzienlijk stijgen, omdat de islam
het gebied waaruit bedevaarders naar Mekka kwamen, enorm
vergrootte. Ook de voorafgaande jaren was het hun duidelijk
geworden dat de volgelingen van Mohammed zich gerechtigd
voelden tot plundering, en aan hun bekering een flinke
stuiver overhielden. In werkelijkheid kwam de weerstand
van de Mekkanen dus juist niet voort uit materialistische
overwegingen, wel uit hun skepsis en uit hun gehechtheid
aan hun levensbeschouwelijk pluralisme.
De enigen die Mohammed als sekteleider voor zijn zaak
kon winnen, waren lichtgelovigen, slecht aangeschreven
krachtpatsers (b.v. Omar, Hamza) en ontevredenen, hetgeen
zijn geloofwaardigheid nog meer naar beneden haalde. De
Koran zelf [11:27] getuigt hiervan : "De leiders der ongelovigen
onder zijn volk antwoordden : 'Wij zien in u slechts een
man zoals wij, en wij zien dat niemand u heeft gevolgd
behalve de minsten en de eenvoudigen van geest onder ons.
En wij zien u niet uitmunten boven ons; neen, wij geloven
dat gij een leugenaar zijt.'"
De Mekkanen waren zeer gehecht aan hun voorouderlijke
tradities. Zoiets is geen dom obskurantisme : wat oud
is, heeft zijn waarde bewezen. Op het diepste niveau verandert
de menselijke psyche niet, dus wat echt de menselijke
ziel bevredigt, moet al lang geleden gevonden zijn. Mohammed
was niet alleen een nieuwlichter, die alles wat ze tot
eigen tevredenheid aanbeden hadden, naar de hel wenste;
hij zei ook dat alwie zijn boodschap (en vooral zijn eigen
profeetschap) niet geloofde, voor eeuwig in de hel zou
branden. Dit gold ook voor de voorouders, die dus meteen
van de hemel, waar de Mekkanen dachten dat zij vertoefden,
naar de hel verwezen werden. Uit respekt voor hun voorouders,
en ook uit gezond verstand, oordeelden zij dat een religie
die alleen hellevuur te bieden had aan het deel van de
mensheid dat toevallig vóór de Profeet geleefd had, niet
eeuwig en universeel was, en dus geen ware religie.
We mogen besluiten, en wel op gezag van onverdachte islamitische
bronnen : de Arabische heidenen wezen Mohammed af uit
oprechte gehechtheid aan hun tradities en uit skepsis
jegens zijn boude aanspraken op het profeetschap. Er was
geen sociaal-ekonomische of politieke reden. Die is pas
door de 20ste-eeuwse islam-apologetiek uitgevonden, onder
de invloed van het mo dieuze socialisme. De heidenen verzetten
zich tegen de verwoesting van hun kultuur, die in hun
"afgodsbeelden" belichaamd was; de politieke hertekening
van de wereldkaart die van Mohammeds sukses het gevolg
was, was niet het bij vriend en vijand bekende doel van
de islam. Mohammeds doel was, als profeet erkend te worden
en de "afgoderij" te vernietigen, en het doel van zijn
volgelingen was, als gemeenschap (oemma) macht te verwerven.
Het politiek en sociaal-ekonomisch systeem dat zij tot
stand brachten, kwam voort uit praktische omstandigheden,
niet uit een ideologisch uitgetekend plan.
Als de Mekkanen zich tegen Mohammed verzetten, was het
dus niet omdat hij een alternatieve maatschappij-orde
belichaamde, zoals beweerd wordt in marxistische geschriften,
(18) en in navolging daarvan ook in de moderne islam-apologetiek.
(19) De echte reden was dat ze zijn religie beschouwden
als rijk aan kontradikties, onmenselijk, en louter ontsproten
aan Mohammeds eigen (zij het met joodse en christelijke
thema's bevruchte) verbeelding. Mij dunkt dat de mens
die op de hoogte is van de Aufklärung, niet anders kan
dan de skepsis van de Mekkanen bijtreden, en Mohammeds
"missie" als een produkt van Mohammeds verbeelding beschouwen.
In plaats van de islam-apologetiek na te praten (zoals
vele multikultureel georiënteerde christenen en vrijzinnigen
tegenwoordig menen te moeten doen), kunnen we de zaak
beter nuchter bekijken, en vaststellen dat de islam gebaseerd
is op een vergissing, n.l. het dogma van Mohammeds profeetschap
en van het goddelijke karakter van een onsamenhangend
stuk Arabische improvisatie-literatuur, de Koran.
1.5. Konfrontatie met de heidenen
Op een dag kwamen enkele Mekkanen voorbij de plaats waar
de moslims hun gebed verrichten, knielend met hun achterste
in de lucht. Zij maakten zich vrolijk over deze vreemde
vertoning en wekten hierdoor de woede van de gelovigen.
De orthodokse biografie van Mohammed rapporteert : "Zij
hekelden de moslims voor wat zij aan het doen waren totdat
er klappen vielen, en het was bij deze gelegenheid dat Sa'd
b. Aboe Waqqas een heiden sloeg met het kaaksbeen van een
kameel en hem verwondde. Dat was het eerste bloed dat in
de islam vergoten werd." (20) In zijn konfrontaties met
de Mekkaanse heidenen hield Mohammed zelf het aanvankelijk
bij verbaal geweld : hij beledigde de heidense goden en
verstoorde de feesten. Op zekere dag stapte hij, in het
heiligdom dat bekend staat als de Kaäba ("kubus"), op de
heidenen toe, en hij sprak : "Bij Hem die mijn leven
in Zijn hand houdt : ik breng u slachting." (21)
Het kwam meer en meer tot rellen in Mekka. Mohammed zelf
bleef, als lid van een vooraanstaande familie, veilig buiten
schot, maar zijn volgelingen kwamen onzacht in aanraking
met de heidenen. De islamitische geschiedschrijving maakt
hiervan dat de onverdraagzame Mekkanen de onschuldige moslims
vervolgden, hoe wel de Koran als enige onbewerkte eigentijdse
bron opvallend zwijgzaam is over die fameuze "vervolging".
Nochtans we ten we dat de voor-islamitische Arabieren helemaal
niet onverdraagzaam waren. Christenen en joden konden in
Arabië probleemloos wonen en werken, dit ondanks het feit
dat de herinnering nog levend was aan vervolgingen van de
heidenen door eerst een joodse en daarna een christelijke
machthebber. Er leefden ook zoroa striërs, haniefen, sabiërs,
mandeeërs en andere exotische sekten in Arabië, dus men
moet erkennen dat de Arabieren een levensbeschouwelijk pluralisme
in acht namen. Als zij tegen Mohammeds sekte wèl bezwaar
maakten, dan lag dat niet aan hen, maar aan Mohammed. Deze
kwam er openlijk voor uit dat hij geen andere religie zou
dulden. Zelfs toen zijn oom en beschermheer Aboe Talib op
zijn sterfbed lag, en de Mekkanen dit gewijde moment als
een gelegenheid tot verzoening te baat namen, bleef Mohammed
elke vreedzame koëxistentie afwijzen. Mohammed eiste dat
zij zich tot de islam zouden bekeren, niets minder. In Mekka
kreeg Mohammed weinig voet aan de grond, maar in een andere
stad, Medina, waren er politieke problemen die hem een kans
boden om door te breken. Hij bemiddelde er tussen twee ruziënde
clans en kreeg daardoor een zeker gezag. Hij liet al zijn
volgelingen uit Mekka naar Medina migreren, en vestigde
zich er ook zelf. Zijn gemeenschap stond in Medina bekend
als de moehadjiroen, letterlijk de "migranten". Wie
meent dat de moslim-migranten zich in Europa van gasten
tot heersersklasse willen opwerken, kan alvast op het voorbeeld
van Mohammed zelf wijzen. Door een kombinatie van diplomatie
en enkele zeer brutale zetten, wist hij zich spoedig op
te werken vanuit de ongemakkelijke positie van leider van
een kleine en afhankelijke immigrantengemeenschap tot de
onbetwiste leider van Medina, dat de eerste islamitische
staat werd.
Om ekonomisch onafhankelijk te worden van de gastvrijheid
van de Medinese clans (de zogenaamde ansaar, "helpers"),
ging Mohammed raids (gazwa, waarvan ons woord razzia)
organizeren op handelskaravanen. In totaal organizeerde
hij zo 82 raids, waarvan hij er 26 persoonlijk leidde;
in 9 gevallen kwam het daarbij tot een open veldslag.
In het dunbevolkte Arabië waren de aantallen van betrokken
strijders en slachtoffers in absolute cijfers laag, maar
wel veel hoger dan men uit de traditionele schermutselingen
tussen clans gewoon was : in totaal verloren naar verluidt
1018 mensen hun leven tijdens deze konfrontaties, van
wie 259 moslims en 759 van het andere kamp.
Men stelt het vaak zo voor dat de Arabieren nu eenmaal
bloeddorstige woestelingen waren, en dat daaruit de krijgshaftige
trekjes van de islam voortkwamen. In werkelijkheid namen
de Arabieren een aantal temperende krijgskonventies in
acht, een soort ridderkode, en het was juist Mohammed
die in Arabië de ongetemperde totale oorlog introduceerde.
Zo schond hij tijdens een belegering de in woestijnachtige
gebieden zeer nuttige eko logische konventie, dat men
zelfs in oorlogstijd geen fruitbomen mocht omhakken. Bij
één van hun eerste overvallen schonden de moslims nog
een andere oude krijgskonventie van de Arabieren, n.l.
het verbod om te vechten in de maanden voor, tijdens en
na de jaarlijkse bedevaart. Als Mohammed dergelijke taboes
brak, gaf Allah meestal achteraf met een "openbaring"
zijn zegen.
Anderzijds was Mohammed wijs genoeg om, ondanks de goddelijke
goedkeuring, rekening te houden met de afkeuring vanwege
zelfs vele medestanders. In het "vers van het zwaard" houdt
hij uitdrukkelijk rekening met het jaarlijks strijdverbod
: "Als de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de
heidenen waar ge hen aantreft, grijpt hen en lokt hen in
hinderlagen..." [K.9:5] Zijn opvolgers gaven instrukties
om tijdens veldtochten, naar oude gewoonte, de bomen en
de oogsten te respekteren. De Mekkanen konden niet lijdzaam
toezien hoe Mohammed hun karavanen plunderde (in moderne
propaganda worden zij, en niet hij, daarom als "materialistisch"
verketterd !), en besloten tegen Moham med op te treden.
Om te beginnen stuurden ze eskortes mee met de handelskaravanen.
In de Slag bij Badr, een overmoedige aanval van de moslims
op een karavaaneskorte, waren de heidenen met drie tegen
één in de meerderheid; toch konden ze tegen Mohammeds totale
oorlogvoering niet op, en vele Mekkanen lieten het leven.
Een tijd later versloegen ze Mohammed in de Slag bij Oehoed,
maar nog steeds dachten ze dat dit een klassiek clan-oorlogje
was, en dat het volstond dat ze hem nu toch een lesje gegeven
hadden; ze lieten na, van hun overwinning gebruik te maken
om Mohammeds basis in Medina te vernietigen. Een derde veldslag,
de Slag bij de Gracht, was strikt genomen onbeslist maar
bevestigde daardoor de status-quo van Mohammeds machtspositie,
en maakte hem tot de onbedreigde heerser in Medina en omstreken.
Mohammed grijpt vanaf 622 stapsgewijze de macht in Medina,
waaruit hij in enkele jaren alle niet-moslims doet verdwijnen.
Van de joodse stam der Banoe Qoraiza laat hij de mannen
(een 700) doden, de vrouwen en kinderen als slaaf verkopen.
Kritici laat hij ombrengen, formeel of door sluipmoordenaars.
In andere steden laat hij de ongelovigen nog een tijdje
voortbestaan in ruil voor de helft van hun inkomen. Door
een kombinatie van slaan en zalven, en vooral door zijn
volgelingen het recht op roofbuit (slaven inbegrepen)
toe te zeggen, weet hij velen tot de islam te bekeren.
Kort voor zijn dood beveelt hij de algehele islamizering
van zijn machtsgebied.
Na zijn dood vallen hele stammen de islam af, maar zij worden
gewapenderhand weer in het gareel gedwongen. Deze nationale
opstand van de Arabieren tegen de islamdiktatuur, die overigens
de veelgehoorde bewering weerspreekt dat "de islam nu eenmaal
de eigen religie van de Arabieren is", noemt men de ridda-oorlog.
Ridda betekent niet "verwarring" (22), een propagandistische
omschrijving waarmee men de repressie door Mohammeds opvolger
Aboe Bakr pleegt goed te praten, maar "herstel" of "terugkeer"
(tot de voorouderlijke religie), dus "verzaking aan de islam".
In de woorden van de onverdachte moslim-auteur Asghar Ali
Engineer : "the war of ridda (apo stasy)... was a
general insurrection throughout Arabia". (23) De ridda
bewees dat de meeste Arabieren slechts bekeerd waren uit
opportunisme of angst voor de militaire macht van de islam
: zodra zij de kans kregen, poogden zij het pluralisme te
herstellen en het islam-juk af te werpen.
Helaas maakten zij nogmaals de fout, de strijdlust van
de moslims te onderschatten. Na hen een beslissende nederlaag
toegebracht te hebben, demobilizeerden de heidense stammen,
denkend dat de moslims het lesje stilaan wel begrepen
zouden hebben. Maar Aboe Bakr hergroepeerde zijn troepen
en sloeg terug. Dit keer onderwierpen de Arabieren zich
definitief aan de islamitische overmacht; als verstandige
mensen waren zij niet geïnteresseerd in martelaarschap.
Onder de eerste opvolgers van de profeet voerde de islam
een Blitzkrieg waarin het gebied van Tadjikistan tot Marokko
ver overd werd. Maar inmiddels ontstond er verdeeldheid
in de zegevierende moslimgemeenschap, eigenlijk ten gevolge
van de afwezigheid van een evidente troonopvolger, of althans
van een gezaghebbende, door de profeet zelf ingestelde regeling
voor de opvolging. Na de onvoorziene dood van de profeet
volgden hem na elkaar drie van zijn vroegere luitenants
(Aboe Bakr, Omar en Othman) op als kalief (= "plaatsvervanger");
pas de vierde en laatste van deze "rechtgeleide kaliefen"
was een bloedverwant van de profeet, n.l. zijn neef Ali.
Doch deze liet zich dra opzij duwen door Moe'awija, de zoon
van Mohammeds aanvankelijke vijand Aboe Sofjaan, destijds
de leider van het heidense Mekka maar uit opportunisme tot
de islam bekeerd. Het was de zoon van Ali en Fatima, Hoessein,
die later op grond van zijn afstamming aanspraak zou maken
op het rechtmatig opvolgerschap of kalifaat, tegen het inmiddels
oppermachtige regime van Moe'awija's clan, de Oemmajaden
in Damaskus. Hij sneuvelde in de slag bij Kerbela (Zuid-Irak)
tegen de Oemmajadische troepen. De partij (sji'a) van Ali
en Hoessein die dit erfelijk opvolgerschap binnen de bloedlijn
van de profeet steunde, zou zich tot de grootste minderheidsstroming
in de islam ontwikkelen, het sjiïsme.
Hassan en Hoessein, kleinzonen van de profeet, verwekten
een talrijk nageslacht. Dankzij hen zijn er vele duizenden
moslims die rechtstreeks van de Profeet afstammen; en
er zijn er nog meer die dit ten onrechte beweren. De meesten
van hen zetten hun aanspraak op die glorieuze afstamming
kracht bij door zich de titel Sajjed aan te meten. Ook
de andere moslims zetten hun voor namenschat overboord
om zich via Arabische namen toch enigermate met de profeet
en zijn gezellen te verbinden.
1.6. Mohammed over de strijd tegen de ongelovigen
Mohammed is voor de moslims al-insaan al-kaamil,
"de volmaakte mens". Hem wordt geen goddelijke natuur toegedicht,
zoals aan Jezus, maar hij geldt wel als de model-mens, wiens
gedrag in de islamwetgeving als rechtsgeldig precedent erkend
wordt.
Moslims hebben vaak bezwaar tegen de term "mohamme daan".
Welbeschouwd is deze term nochtans volkomen korrekt : de
moslims zijn "volgelingen van Mohammed". Haal Mohammed uit
de islam en er blijft niets specifiek islamitisch over.
Als we de door de moslims zelf gegeven betekenis van het
woord islaam beschouwen, n.l. "overgave aan de ene
ware God", dan zien we dat (als we überhaupt aanvaarden
dat het in de profetische openbaringen inderdaad God is
die spreekt) dit kriterium even goed opgaat voor joden en
christenen. Ook zij verwerpen het veelgodendom en de godloochening,
en willen zich in hun leven laten leiden door het geopenbaarde
Woord van de ene ware God. De term Allah wordt door Mohammed
uitdrukkelijk ook toegepast op de joodse en christelijke
God. Er is een Hadieth waarin iemand vraagt of gebed
tot de ene ware Allah voldoende is om moslim te zijn, en
de profeet antwoordt dat dit niet voldoende is : ook geloof
in Mohammeds profeetschap, dus in de goddelijke oorsprong
van de Koran, is noodzakelijk. Monotheïsme is een nodige
maar geen voldoende voorwaarde voor het moslimschap.
De werkelijk definiërende eigenschap van de moslim is
geloof in Mohammed. Dit wil niet (zoals "geloof in Jezus")
zeggen : geloof dat Mohammed een goddelijk wezen is. Maar
wel : geloof dat Mohammed een door God zelf gegeven boodschap
bracht. En bij uitbreiding, geloof dat Mohammed de model-mens
was, dat ook zijn gedrag in zekere zin een openbaring
van Gods plan met de mensheid was.
De moslim gelooft niet alleen dat Mohammed "een" profeet
was, één in de reeks. Ook onder de profeten had Mohammed
een uniek statuut : hij was de laatste, het "zegel der
profeten". (24) Dit uniek statuut van Mohammed maakt het
verschil tussen enerzijds de moslims en anderzijds de
van de islam afgesplitste sekten, met name ahmadija's
en bahai's. Deze sekten geloven wel dat Mohammed een profeet
was, maar zij geloven bovendien in andere profeten na
Mohammed, ondermeer de stichters van de eigen sekte (die
zelf eveneens stemmenhoorders met een merkwaardige eigenwaan
waren); in Iran en Pakistan worden zij daarom fel onderdrukt.
Het leven van Mohammed is de Koran in praktijk. Dit is
letterlijk zo : een groot deel van de Koran-verzen zijn
aan God toegeschreven aanwijzingen voor Mohammeds konkrete
beleid; soms ook zijn het rechtvaardigingen achteraf voor
reeds door Mohammed gestelde daden. In zekere zin is Mohammeds
levensverhaal dan ook een verlengstuk van de Koran, de
openbaring op een andere manier, door het goede voorbeeld.
Mohammeds gedrag is de richtlijn, ook in juridische zin,
voor het gedrag van de moslim. Hetzelfde geldt voor Mohammeds
eigen woorden, uitgesproken in een normale bewustzijnstoestand.
Het is daarom niet zonder belang om te weten met welke
doktrine Mohammed zijn veldtochten tegen de ongelovigen
rechtvaardigde. De Koran-doktrine hierover komt in het
volgende hoofdstuk aan bod, hier halen we enkele uitspraken
aan die de traditie aan Mohammed zelf toeschrijft : *
"Zelfs maar één dag voor de islam strijden is meer waard
dan de hele wereld en al wat erin is." (25)
* "Gij zult de joden bestrijden totdat zelfs de steen
waarachter een jood zich verbergt, u toeroept : 'Dienaar
Gods, ziehier een jood achter mij : doodt hem !'" (26)
* "Allah patroneert hem die uitrukt om te strijden op
de weg van Allah. Als hij niet gedood wordt, zal hij met
buit en beloningen beladen terugkeren, en als hij sneuvelt,
zal hij naar het Paradijs gaan." (27)
* "Ik zweer bij Allah : ik wil sneuvelen op de weg van
Allah, en sneuvelen en opnieuw tot leven gebracht worden,
en nog eens sneuvelen en opnieuw tot leven gebracht worden,
zodat ik telkens weer verdienste kan verwerven." * "Het
hellevuur zal niet de benen raken van hem die met stof
bedekt wordt in de strijd op de weg van Allah."
* "Hij die een ander helpt met wapens om te strijden op
de weg van Allah is als de voorvechter zelf, en deelt
in de beloning. En ook wie achterblijft om voor de familie
van de strijder te zorgen, is als de strijder zelf."
* "Deze religie is voor altijd opgericht, tot de Dag der
Verrijzenis, zolang de moslims ervoor vechten."
* "Op de laatste dag zullen de wonden van zij die gewond
zijn op de weg van Allah zichtbaar zijn, en druipen van
het bloed, maar hun geur zal als muskus-parfum zijn."
* "Sneuvelen op de weg van Allah vereffent alle zonden
(maar niet de schulden)."
* "Hij die sterft en nog niet voor de islam gevochten
heeft, noch zelfs bij zichzelf gedacht heeft : 'Allah
geve dat ik een strijder word die sterft op de weg van
Allah', hij is als een huichelaar."
* "Strijden op de weg van Allah, of daartoe besluiten,
is een goddelijke plicht. Wanneer uw imaam u beveelt om
te gaan vechten, gehoorzaamt hem dan."
Samen met de feitelijke strijd van Mohammed tegen de ongelovigen
vormt dit "woord bij de daad" een sterke religieuze motivering
voor alle vrome moslims, ook de hedendaagse, om niet-moslims
als vijanden te zien en te behandelen. Als u, net als
ik, moslims kent die oprecht vriendelijk en verdraagzaam
zijn, dan is dat geen verdienste van de islam, maar een
verdienste van die mensen in weerwil van de islam. Zij
zijn goede mensen, maar slechte moslims.
PAGE
2>>