Nieuws uit Kasjmir

 

Dr. Koenraad Elst

Tussen alle banale en repetitieve boeken en boekjes die er over India en de islamwereld verschijnen, is er heel af en toe een uitspringer, een boek dat van eerstehandse deskundigheid getuigt en iets nieuws te vertellen heeft. Zo'n boek is "Jammu en Kasjmir, het Omstreden Paradijs" van onze landgenoot Paul Beersmans (Continental Publ., Antwerpen 1999). In de tijd van Christiaan Huyghens waren er buitenlandse geleerden die Nederlands leerden om van de nieuwste ontdekkingen op de hoogte te blijven. Vandaag zouden nogal wat Angelsaksische "experten" en reporters van BBC en CNN er goed aan doen, dit boek te lezen.

Paul Beersmans (Antwerpen 1943) was van 1963 tot 1994 beroepsmilitair, ondermeer cavalerie-officier, en het is vanuit die funktie dat hij naar de UNO-troepen (UN Military Observer Group in India and Pakistan) in Kasjmir gedetacheerd werd. Sedert 1994 is hij er jaarlijks op privé-studiereis geweest, en wel aan beide zijden van de bestandslijn. Zijn boek bestaat dan ook hoofdzakelijk uit een gedetailleerd feitelijk overzicht van het ontstaan en het verloop van het Kasjmir-konflikt, met oog voor beide standpunten. Nergens laat hij zich op vooringenomenheid of partijdigheid betrappen. Toch laat zijn relaas een duidelijke beoordeling van het gelijk en ongelijk van het konflikt toe.

Om met het belangrijkste te beginnen: volkenrechtelijk staat als een paal boven water dat heel Kasjmir bij India hoort, ook het één derde in het westen en noorden dat sedert eind 1947 door Pakistan bezet wordt, het zogenaamde "Azad Kasjmir" ("Vrij Kasjmir") en de "Noordelijke Gebieden" (Gilgit en Baltistan). Ten eerste, bij de overdracht van de macht door de Britten was bepaald dat de vorstendommen zich of bij India of bij Pakistan zouden aansluiten. Welnu, de vorst van Kasjmir, Maharadja Hari Singh, heeft het "instrument van toetreding" tot India ondertekend. Ten tweede, de volksvergadering van Kasjmir (althans het deel onder Indiaas bestuur, waar wel de grote meerderheid van de bevolking woont) heeft vervolgens met overweldigende meerderheid de toetreding tot de Indiase Unie goedgekeurd. Die toetreding is dus zowel verdragrechtelijk als demokratisch gelegitimeerd.

Beersmans noteert echter ook welke bezwaren de Pakistani's tegen deze klare stand van zaken inbrengen, en men moet toegeven dat althans het eerste daarvan niet onredelijk is. Naast Kasjmir, met een hindoe-heerser maar een moslimmeerderheid, waren er nog twee vorstendommen waarvan de bevolking en de heerser van verschillende religie waren: Junagarh in de huidige Indiase deelstaat Gujarat en Hyderabad in de huidige Indiase deelstaat Andhra Pradesh. De moslimheersers van deze staten weigerden zich bij India aan te sluiten hoewel dat aardrijkskundig voor de hand lag en ook door de hindoe-bevolking gewenst werd. Massale agitatie voor aansluiting bij India, in het geval van Hyderabad ook gesteund door een Indiase politionele tussenkomst, deed de heersers echter buigen, en hun vorstendommen werden door India opgeslorpt (overigens waren er nog enkele moslim-heersers in dezelfde situatie, die echter wijselijk voor aansluiting bij India kozen, bv. de Nawab van Bhopal). Als Hyderabad bij India moest wegens geen moslim-meerderheid, moest Kasjmir dan niet bij Pakistan wegens wel een moslimmeerderheid? Of moest de staat dan niet gesplitst worden, met de gebieden met hindoe of boeddhistische meerderheid (Jammu resp. Ladakh) voor India en de rest voor Pakistan? Dit laatste dan als uitzoonderlijk kompromis, want bij de toetreding van de provincie Sindh tot Pakistan had men voor de distrikten met hindoemeerderheid geen uitzondering gemaakt.

Moslim-gebieden bij Pakistan, dat immers als staat voor de Indiase moslims bedoeld was: dit lijkt logisch, maar werd door India om een heel goede reden niet aanvaard. Pakistan stelde zich op kommunautair (*communal*) standpunt: moslimgebieden horen bij Pakistan, de rest bij India. Maar India stelde zich op demokratisch standpunt: Junagarh en Hyderabad sloten zich aan bij India, niet omdat de bevolking tot deze of gene religie behoorde, maar omdat zij deze aansluiting wenste. En Kasjmir sloot zich terecht bij India aan omdat ook daar de bevolking dit wenste.

Hoezo, koos de moslim-meerderheid van Kasjmir voor aansluiting bij India? En waarom blijft Pakistan dan aandringen op een plebisciet in het Indiase gedeelte van Kasjmir over afscheiding? Want dat is het tweede Pakistaanse bezwaar: de bevolking zou zich in een referendum over toetreding tot India danwel Pakistan moeten uitspreken, en wel krachtens een VN-resolutie gestemd kort na de Pakistaanse invasie. Wat Pakistan er niet bij zegt, is dat het India zelf was dat met het voorstel van een volksraadpleging naar de VN getrokken was, en wel omdat India er gerust in was dat het de voorkeur zou wegdragen van een ruime meerderheid van de Kasjmiri's, ook de moslims. De meeste moslims in de het demografisch zwaartepunt van Kasjmir, de Kasjmir-vallei rond Srinagar (en dit lag dus wellicht anders in de dunbevolkte buitengebieden als Gilgit en Baltistan), hadden zich rond de Nationale Konferentie, de partij van Sjeik Abdullah geschaard. Deze kon het persoonlijk niet vinden met de Pakistaanse leider Mohammed Ali Jinnah, maar des te beter met de Indiase leider Jawaharlal Nehru. Deze laatste was nominaal een hindoe, maar in feite was hij door opvoeding een Engelsman die zich thuis voelde in de moslimkultuur. Zoals Mahatma Gandhi ooit schertste: "Ik heb in mijn kamp eigenlijk maar één nationalistische moslim, en dat is Nehru." De sjeik wist dus zeer goed dat Pakistaanse propaganda over India als "hindoe-staat" klinkklare onzin was, en dat zijn moslims in India niets te vrezen hadden. Door zijn charisma zag het er dus naar uit dat India zulke volksraadpleging zou winnen.

Nog iets dat Pakistan verzwijgt, is de reden waarom die volksraadpleging er nooit gekomen is. Ten eerste was Pakistan er niet gerust in, want het was natuurlijk even goed op de hoogte van de voorkeur en de invloed van Sjeik Abdullah. Maar ten tweede was er de formele eis die de VN-resolutie gesteld had: de volksraadpleging zou er pas komen nadat Pakistan al zijn troepen uit Kajsmir teruggetrokken, en India in heel Kasjmir een lichtbewapende politiemacht geïnstalleerd zou hebben. Pakistan heeft nooit aan deze voorwaarde willen voldoen, en daarom is er nooit een referendum gekomen.

Na 1953 heeft de moslim-opinie in Kasjmir zich echter tegen India gekeerd. Ondanks verregaande autonomie voor zijn deelstaat, waar hij spoedig het gezag van de Maharadja overnam, broedde Sjeik Abdullah op onafhankelijkheid. Hindoes horen het niet graag, maar eigenlijk broedde hij daarmee verder op een plan dat ook de Maharadja al gekoesterd had. Deze had in 1947, toen de andere vorsten al voor ofwel India ofwel Pakistan gekozen hadden, gewacht om zijn keuze te maken, in de hoop dat de zelfstandigheid van Kasjmir spoedig als voldongen feit door de grootmachten erkend zou worden. Pas toen de Pakistaanse troepen binnenvielen, haastte hij zich om het Instrument van Toetreding te tekenen. Ook bij hem lag de reden in zijn inschatting van zijn eigen positie in een door Nehru gedomineerd India. Nehru was zelf van Kasjmiri afkomst en wilde zich sterk persoonlijk met de staat bemoeien. Hij had zijn afkeer voor de Maharadja nooit verborgen, en deze zou bij toetreding zeker zijn macht verliezen (zoals inderdaad geschiedde). Het was ook de Maharadja die het verbod invoerde voor niet-Kasjmiri's om zich in Kajsmir te vestigen, een verbod dat door de Sjeik en andere latere moslim-deelstaatpremiers gehandhaafd bleef, maar dan om een heel nieuwe reden: om te verhinderen dat hindoe-vluchtelingen uit Pakistan of andere hindoes in Kasjmir zouden komen wonen en de moslim-meerderheid numeriek in gevaar brengen.

Toen de separatistische plannen van de sjeik bekend raakten werd hij gearresteerd. Hij kwam tot inkeer, zoals dat heet, en het separatisme was tot eind jaren '80 van de baan, maar toen barstte de storm los. Aanleiding waren manipulaties door de heersende Kongrespartij tijdens de deelstaatverkiezingen ten nadele van de Nationale Konferentie. Reden was het groeiende moslim-militantisme dat sowieso tegen het gezag van een niet-islamitische staat gekant was. Eind 1989 begin 1990 stond heel Kasjmir in vlam, de hindoes werden aangevallen ("er één doden om er duizend te verdrijven"), een vijftienhonderd werden vermoord en de volledige hindoe-bevolking van de Kasjmir-vallei, een kwart miljoen mensen, vluchtte weg. Over deze eerste grote etnische zuivering van de in dat opzicht beruchte jaren '90 is in de internationale media praktisch niets gemeld, noch destijds noch in recentere overzichten van het Kasjmir-probleem.

Ook moslims die onvoldoende met de terroristen meewerkten, moesten eraan geloven. Hoewel de gewone moslims veelal aktief meewerkten met de verdijving van de hindoes, keerden zij zich geleidelijk tegen de terroristen, die hen het leven steeds moeilijker maakten en represailles van het Indiase leger uitlokten. Vandaag is het gewapend separatisme in Kasjmir nog bijna uitsluitend de zaak van buitenlanders: Pakistani's, Afghanen en Arabieren. Beersmans laat een ex-strijder aan het woord die zijn strijdmakkers de rug toekeerde nadat een Afghaan hem hun strategie uitgelegd had: eerst Kasjmir vernielen, dan heropbouwen. Kasjmir vernielen, dat had de Kasjmiri voor de onafhankelijkheid niet over. Twee keer reeds zijn er verkiezingen gehouden die vrij normaal verliepen, en waarbij India-gezinde partijen een ruime meerderheid behaalden. Ook diplomatiek heeft India enkele overwinningen behaald, zodat zelfs de meeste moslim-staten (i.t.m. privé-militieleiders als Osama bin Laden) Pakistan niet aktief steuenen in zijn pogingen om Kasjmir van India los te maken.

Tot dusver de grote lijnen, de details leest u bij Paul Beersmans, wiens boek ik nogmaals warm aanbeveel.

 

 

horizontal rule

Home

Articles

Books

Book Reviews

Interviews

Dutch Articles

About

Download

Print

 

 

 

 

VOD Authors

VOD Home