De fatwa tegen Urbain Vermeulen
Door Dr. Koenraad Elst
Een ochtendkrant in aktie
Op 19 april 2000, tijdens het persoverzicht van halfacht, werd radio-luisterend
Vlaanderen opgeschrikt door de frontale aanval die de hoofdredakteur van een
ochtendkrant lanceerde tegen Vlaanderens befaamdste islamoloog, prof. Urbain
Vermeulen. Volgens nieuwslezer Jan Huys sommeerde Yves Desmet in zijn
hoofdartikel de KU-Leuvense rektor om prof. Vermeulen te "stoppen". En
inderdaad, onder de titel "Een fijnbesnaard man" gaf Desmet de lezers van De
Morgen dit besluit mee: "... toch kan het in dit land dat een dergelijk
individu, getooid met doctorsbul en professorstitel, ongestoord de
baarlijkste nonsens kan uitkramen. Er moet toch iemand zijn die hier iets
kan tegen doen? Meneer de rektor van de KUL, mijnheer de minister van
justitie?"
Wat heeft Vermeulen miszegd dat men hem het zwijgen zou
moeten opleggen? De Morgen baseerde deze aanval op mondelinge "racistische"
citaten die door informanten bezorgd maar niet bij de betrokkene
geverifieerd waren. Zulke nietverifikatie is inmiddels een traditie bij deze
krant, zie de loze beschuldigingen over Luxemburgse rekeningen tegen Didier
Reynders en "een CVP-oud-premier", over een affaire tussen koning Boudewijn
en zijn stiefmoeder prinses Lilian, of Yves Desmets infame kampanje tegen
notaris X (anders dan Leo Dehaes, die samen met Desmet de kat de bel aanbond
tegen de "pedofiele" notaris, maar die van eerlijke schaamte alle kommentaar
weigerde toen de inmiddels opgegroeide zonen "Wim en Jan" de onschuld van
hun vader bevestigden, is Desmet door dik en dun zijn lasterlijk verhaal
blijven volhouden). Haar informanten waren leden van een plaatselijke "integratieraad"
in Leopoldsburg, die in een zaal in het legerkamp aldaar een lezing van
Vermeulen bijgewoond hadden. Althans totdat volgens hun eigen zeggen het
volgende gebeurde: "De aanwezige leden van de integratieraad, zelf moslims,
wilden reageren. Maar professor Vermeulen repliceerde: 'Zwijgen, we zijn
hier niet in Turkije.' Waarop de moslims de zaal verlieten, onder luid
applaus overigens van de aanwezige militairen." (aldus Cathy Galle: "Integratiesector
pikt uitspraken Vermeulen niet", De Morgen, 19-4-2000)
Vooraleer de gewraakte citaten onder het vergrootglas te
houden, moeten we eerst het getuigenis van de organizator van deze lezing
vermelden. De heer Norbert Bracke laat weten: "Die bewuste avond was niet
georganizeerd door mensen van de krijgsmacht, maar door mijzelf, in naam van
het Museum van het Kamp van Beverlo. Dit museum (...) staat los van de
krijgsmacht en kreeg alleen een militaire zaal ter beschikking. (...) De
groep toehoorders bestond voor 95 procent uit gewone burgers." En vooral:
"Professor Vermeulen kreeg die avond geen sympathieapplaus dat tegen de
aanwezige migranten was gericht, maar wel voor zijn kordate optreden tegen
het voortdurend onderbreken van zijn betoog." ("Professor Vermeulen",
lezersbrief in De Standaard, 26-4-2000)
Even wedersamenstellen. Blijkens deze twee getuigenissen
zei de professor pertinente dingen over de islam; de aanwezige moslims
begonnen daarop zijn lezing te storen; hij liet zich provoceren tot
aanstootgevende uitspraken; toen hij de onderbrekingen echt beu werd, zei
hij hen van nu eindelijk eens hun mond te houden, hem te laten uitspreken,
en net als iedereen hun beurt af te wachten tot het vragenuurtje; en toen
stapten zij verongelijkt naar buiten en naar een bevriende krant, die hun
partijdige versie van de feiten graag een forum verleende.
De Morgen stelt het als een schandaal voor dat Vermeulen ergens uitgenodigd
wordt, bv. in de onthulling: "Omstreden professor gaf islamvorming aan
staatsveiligheid" (Cathy Galle, 3-5-2000), of: "Omstreden islamdeskundige
Urbain Vermeulen is weer van de partij op rechtbank" (Jan De Zutter,
13-11-2000). De bedoeling van De Morgen, die blijkbaar liever het beleid
bepaalt dan er alleen maar over te berichten, is duidelijk: beroepsverbod en
spreekverbod voor Vermeulen, minstens op alle forums onder bevoegdheid van
de overheid. Bij de staatsveiligheid wou men, met verwijzing naar de
akademische vrijheid, nog niet meteen door de knieën gaan, maar: "Toch werd
na het recentelijk in opspraak komen van de professor ook binnen de
staatsveiligheid nagedacht of een nieuwe samenwerking met de professor wel
wenselijk is." Professor Vermeulen zal ondervinden dat, ongeacht het
resultaat van het onderzoek dat rektor Oosterlinck tegen hem bevolen heeft,
weinigen nog in zijn gezelschap zullen willen gezien worden. De ene domino
na de andere zal vallen, en het ordewoord om hem te boycotten zal zich tot
in alle uithoeken van de wereld verspreiden. Een eventueel later bericht dat
hij volledig in het gelijk gesteld is, kan maar een klein percentage van de
schade ongedaan maken.
Dolksteek op ùw niveau
Na de brutale aanval in De Morgen deed de traditioneel met de KUL gelieerde
krant De Standaard er fijntjes volgende dolksteek bovenop: "Lange tijd gold
professor Urbain Vermeulen, afdelingshoofd Arabistiek en Islamkunde aan de
KU Leuven, als dé Vlaamse expert in de islam. Maar zijn weinig fijnbesnaard
taalgebruik en -- casuele -- beledigingen tegen moslims keren zich nu tegen
hem. Een recent incident is er teveel aan", aldus Nadia Dala ("KU Leuven
start onderzoek tegen islamoloog", De Standaard, 20-4-2000). Merk op hoe
Vermeulens reputatie van in de openingszin van het artikel, nog voor er één
nieuwsfeit gemeld is, in de verleden tijd gesitueerd wordt. De
beschuldigingen van "beledigingen tegen moslims" worden voetstoots
aangenomen en zelfs als een sinds lang bekende toestand voorgesteld.
Er is niets gebeurd dat aan Vermeulens deskundigheid een
einde gemaakt heeft. Zoals rektor Oosterlinck terecht opgemerkt heeft (VRT
Radio-1, 20-4): Vermeulens visie op de islam wordt gedeeld door andere
vooraanstaande islamkenners. Wel is het zo dat Vermeulen al een jaar uit de
ether verdwenen is. Na de beroering rond zijn boek Islam en Christendom, het
Onmogelijke Gesprek? (Davidsfonds, januari 1999), waarin hij de zeer geringe
dialoogbereidheid aan moslimzijde aan de orde stelde, ging het signaal rond
dat Vermeulen aan het eind van zijn loopbaan blijkbaar geen blad voor de
mond meer wou nemen, en dat zijn politiek inkorrekte opvattingen uit de
media geweerd moesten worden. De staatsomroep doet dat erg grondig, net
zoals de Sovjet-Encyklopedie Trotski van oude foto's wegretoucheerde. Toen
de Antwerpse zanggroep de Strangers, die sinds jaar en dag bijeenkomsten van
allerlei organizaties opluisterde (ook extreem-linkse: uit mijn linkse tijd
herinner ik me een Strangers-optreden op een "strijdfeest" van de
Revolutionaire Arbeidersliga), eens optrad voor een rechts publiek, was het
op de staatsomroep op slag alsof de Strangers nooit bestaan hadden: weg,
down the memory hole. Zelf heb ik het ook ondervonden: toen mijn boek De
Moord op de Mahatma uitkwam, daags voor de 50ste verjaardag van de moord in
kwestie, werd ik door medewerkers van radio en TV gevraagd voor een
interview, maar enkele uren later kreeg ik een telefoontje waarin dezelfde
mensen mij gegeneerd meedeelden dat hun oversten, euh, er anders over
beslist hadden. Mij verraste het dus niet dat Vermeulen plots van het scherm
verdween, maar dat verandert niets aan zijn status als "dé Vlaamse expert in
de islam".
Als pretentieuze krant van akademisch niveau pleegt De
Standaard ook de kompetentie van geviseerde personen in twijfel te trekken,
dus: "Kollega's laten zich niet on the record uit over de hoogleraar, maar
één van hen wilde wel kwijt dat 'Vermeulen nauwelijks modern Arabisch
spreekt. Hij kan dus niet verstaan wat er gebeurt in de Arabische wereld."
Dit laatste is klinkklare onzin: als oudstudent van Vermeulen kan ik
getuigen dat ik hem talloze keren levend Arabisch heb zien lezen, voorlezen,
simultaan vertalen en spreken; al zullen leerkrachten modern Arabisch (zoals
de geciteerde anonieme bron, die zich op 28-4 in een lezersbrief bekend
maakte als zijnde Mark van Mol, docent modern Arabisch aan de KUL) zichzelf
op dat punt wel superieur vinden. In ieder geval heeft Vermeulen vlot
toegang tot de bronnen van het hedendaags islamitisch denken, want in
tegenstelling met de spreektaal wijkt het geschreven modern Arabisch, waarin
de ideologische teksten van integristische bewegingen gesteld zijn, weinig
af van het klassiek Arabisch waarin Vermeulen een wereldwijd erkend
specialist is.
Overigens geldt voor het Midden-Oosten wat ik ook voor
India vaak heb kunnen vaststellen: er geweest zijn en de taal spreken helpen
weinig om tot begrip te komen van "wat er gebeurt" als je de basisgegevens
van de betrokken beschaving niet verwerkt hebt, en dat is het geval met vele
Arabisten, zoals we dadelijk zullen zien. Omgekeerd is het zo dat zeer veel
Arabieren behoorlijk Engels spreken en dat er een florissante engelstalige
moslim-pers bestaat (ga maar eens kijken in boekhandel Al-Hoda op de
Londense Charing Cross Road), zodat iemand die weet waarop hij moet letten,
zich zelfs zonder Arabisch een behoorlijk beeld van de hedendaagse
ontwikkelingen kan vormen. Al blijft dat zeldzaam: perskorrespondenten die
de plaatselijke taal niet leren, brengen er meestal weinig van terecht,
minder omdat zij niet aan goede informatie geraken dan omdat zij blijkens
hun onwil om de taal te leren de plaatselijke bevolking en kultuur niet
voldoende ernstig nemen. Juist professor Vermeulen drukt daarom zijn
studenten altijd op het hart om zich ter plaatse de levende taalkennis te
gaan verwerven. Zo hoorde ik hem eens van leer trekken tegen de slaptitude
terzake van de Belgische vertegenwoordigers in de Arabische landen, die op
hun ambassades liever De Standaard lezen dan Al-Ahraam (waarvan overigens
een wekelijkse Engelse versie verschijnt van zeer goed niveau, ook als bron
van nieuws en duiding over de wereld buiten het Midden-Oosten aanbevolen).
Inmiddels vertolkt Mark van Mol met zijn klemtoon op "wat
er gebeurt" een populair doch fout en oppervlakkig uitgangspunt, namelijk de
misvatting dat de islam fundamentele wijzigingen ondergaat en dat de
eeuwenlang stabiel gebleven leerstellige basis van de islam door nieuwe
ontwikkelingen overschaduwd wordt. Zoals Lucas Catherine het ooit in een
polemiek tegen mijzelf uitdrukte: de Koraan is al "een oud boek" en dus
minder belangrijk voor een goed begrip van de hedendaagse islam (Vuile
Arabieren, p.81). Om de islamwereld van nu te begrijpen is kennis van Koraan
en Hadieth (handelingen van de Profeet) echter nog altijd belangrijker dan
kennis van de jongste trends in media en samenleving, want deze jonge
plantjes groeien in de schaduw van een bijna 1400 jaar oude boom en zijn
daar volledig door getekend. Moslims houden veel sterker vast aan hun
basistekst dan kristenen doen, en hun religie beheerst ook veel meer
aspekten van kultuur en samenleving dan bij de meeste andere religies het
geval is. Mocht de Koraan aan belang ingeboet hebben, dan moeten mensen als
van Mol en Catherine eens uitleggen waarom de Koranische diskriminaties
tegen niet-moslims blijven voortbestaan. Want dat zou pas echt verandering
in de islamwereld zijn: als moslims, kristenen en anderen gelijk behandeld
worden, of als moslims zich onbezwaard van de islam zouden mogen afkeren.
Postmodern in Bagdad
Een voorbeeld van een nieuwe trend die Vermeulen ontgaan zou zijn, is het "postmodernisme
in het Arabische denken" althans volgens twee andere KULwetenschappers, dr.
Daniël De Smet en Jan van Reeth ("Islamkunde in opspraak", DS, 26-4-2000),
die overigens aan de Turkse en islamitische gemeenschap hun oprechte
verontschuldigingen aanbieden voor Vermeulens "schandige" uitspraken. Een
vertegenwoordiger van dit postmodernisme, de Iraakse dichter Azawi,
doorspekt zijn verzen met "fijnzinnige humor en ironie", en dat moet ons van
het vooroordeel afhelpen als zouden "Arabieren druiloren zijn die niet
kunnen lachen". Wel, wel.
Eerst en vooral schijnen onze betweters niet te weten dat de term "postmodernisme"
juist onder militante islamisten erg in trek is. De leidende Indiase
islamist Syed Shahabuddin, uitgever van het maandblad Muslim India, heeft
bij de postmodernisten enkele ideetjes geleend die goed van pas komen in de
politieke vooruitgang van moslims in minderheidssituaties, zoals dus in
India of Europa. Belangrijkst daarin is het afstand doen van algemeengeldige
waarheidsaanspraken, met name door het kultuurrelativisme: dit moet de islam
gelijke rechten geven, recht op intellektuele erkenning als gelijkwaardige
doktrine, maar ook recht op politieke erkenning in de vorm van staatssteun
voor moskeeën en islam-onderricht, en vooral de invoering van de
islamwetgeving voor alle inter-moslim aangelegenheden (huwelijk, erfrecht).
Typisch voor de moderniteit is de erkenning van een objektieve waarheid die
door de rede achterhaald kan worden, en deze vormt een direkte bedreiging
voor doktrines gebaseerd op openbaringsgeloof; daarom is het "postmodernisme"
als verzaking aan de pretenties van de moderniteit een welkome bondgenoot
voor zegslieden van irrationele doktrines. Het premoderne dat door de
moderniteit naar de antiekzaak verwezen werd, vindt nieuwe respektabiliteit
in het postmodernisme.
Maar goed, ik wil op gezag van De Smet en van Reeth wel
aannemen dat hun "Arabisch postmodernisme" iets heel anders is, en dat die
Iraakse postmodernist echt een frisse vernieuwer is en geen arglistige
islamistische strateeg. In het nominaal sekuliere Irak zullen sommige
topfiguren van de sekulier-nationalistische Baath-partij wellicht wat
ademruimte toemeten aan plaatselijke imitatoren van de jongste ideologische
modes uit het Westen. En daar zal dan wel wat universeelmenselijke "fijnzinnige
humor en ironie" aan bod kunnen komen, want wie (zelfs in vertaling) wat
verzen van de voor-islamitische Arabieren en van de talloze krypto- of
openlijke dissidenten van het laatste millennium gelezen heeft, weet
natuurlijk dat Arabieren niet noodzakelijk "druiloren zijn die niet kunnen
lachen". Maar dat is allerminst een verdienst van de islam. Men vindt humor
in religieuze basisteksten van de Bijbel over de Veda's tot de Daodejing,
maar de Koraan is echt het werk van een druiloor die niet kon lachen.
Mohammed had een probleem met humor, en zijn ergste vijanden waren de
hekeldichters die in Arabië een belangijke sociale funktie vervulden, maar
die niet tijdig hun mond wisten te houden toen hun stadgenoot zich van
zakenman tot zegsman Gods ontpopte. Het eerste geweld tussen moslims en
niet-moslims bestond uit een moslim-uitval tegen ongelovigen die hen zagen
bidden, zo met hun achterste in de lucht, en in lachen uitbarstten. Mijn
vroegere Marokkaanse buurman zei me altijd van niet luidkeels te lachen,
"want dan komt de duivel naar binnen". Natuurlijk is er humor in Arabië,
maar dan ondanks en niet dankzij de islam.
Zoals vele onnadenkende islamologen maken De Smet en van
Reeth geen verschil tussen de islam en de volkeren die momenteel de islam
belijden. Onder de verdiensten van moderne Arabieren die tot "de wereldtop"
zouden behoren, noemen zij bv. de muziek. Feit is dat Mohammed een hekel had
aan muziek en er zijn oren voor toestopte, dit wellicht als gevolg van een
storing in het sensoriële centrum in zijn hersenen (zoals de Vlaamse
psycholoog dr. Herman Somers betoogt in zijn baanbrekend boek Een Andere
Mohammed, Hadewych 1993). Rechtgelovige moslimheersers die de modelmens
Mohammed in alles wilden navolgen, zoals Mogolkeizer Aurangzeb (ca. 1700),
legden strenge beperkingen op aan de muziekbeoefening. Toen werkloze
muzikanten onder zijn balkon een betoging hielden waarin ze een doodskist
ten behoeve van de stervende muziek meedroegen, zei Aurangzeb hun van ze zo
diep mogelijk te begraven zodat ze nooit meer zou verrijzen. De Pakistaanse
qawwalli en andere soefi-muziek vinden hun oorsprong in voor-islamitische
mystiek die door de islamgeleerden na lange afwijzing uiteindelijk pas
getolereerd werd toen zij nuttig bleek om de ongeletterde massa's voor de
islam te lijmen. Men vergelijke de minachting van de islam voor de muziek
met het centrale belang in de geestelijke beleving dat Luther aan de muziek
toekende; met koning David die voor God zong en danste; met de status van
Indiase klassieke muziek als "vijfde Veda" (Indiase musici voeren de titel
pandit, "schriftgeleerde"); met Confucius en Pythagoras volgens wie muziek
fijngevoeligheid en zin voor maat, dus matiging en zelfbeheersing, bijbrengt.
In dit opzicht is de islam een eenzame uitzondering onder de
wereldgodsdiensten. Arabische muziek is er niet dankzij maar ondanks de
islam.
Hetzelfde geldt ook voor schilderkunst: uitbeelding van
mens en dier is in de islam verboden, en de belangrijkste school van "moslim"-schilderkunst
was dan ook die van de ketterse Mogol-keizer Akbar, die hoofdzakelijk door
hindoes bemand werd. Aan zijn hof werkte ook de muzikant en komponist Tansen,
die vaak als "moslimbijdrage aan de Indiase muziek" wordt opgevoerd. Tansens
vorming was volledig hindoe, maar om te kunnen trouwen met de moslim-vrouw
aan wie hij zijn hart verloren had, moest hij zich tot de islam bekeren. Aan
de islam had zijn muziek volstrekt niets te danken, zoals ook de algebra en
de oliewinning het perfekt zonder de islam hadden kunnen stellen.
De bijdrage van de islam aan de wetenschap was volledig negatief. De bloei
van wijsbegeerte en wetenschappen in de eerste eeuwen van het kalifaat was
te danken aan de overname van niet-islamitisch kultuurgoed, en merk op dat
de niet-moslims toen nog de meerderheid van de bevolking vormden, terwijl de
islamitische wetgeving nog onvolgroeid was. Zodra de islam de Arabische
wereld volledig in zijn greep had, trad de stagnatie in. Een scharnierfiguur
hierin was de theoloog Al-Ghazali (ca. 1100), die polemizeerde tegen de
volgelingen van de heidense wijsgeer Aristoteles (ondermeer Averroës) en de
rede grondig ondergeschikt maakte aan de schriftuurlijke kasuïstiek.
Arabische verdiensten voor de beschavingsgeschiedenis zijn er wel,
islamitische niet. Overigens: in het bekendmaken van de magnifieke zonzijde
van de Arabische kultuur heeft niemand in Vlaanderen meer verdienste dan
Urbain Vermeulen.
Waar of niet?
De Standaard, erg in trek op ambassades, citeert ook nog "diplomatieke
bronnen" die beweren: "Tijdens informele gesprekken, op recepties en op
ambassades, verwoordt [Vermeulen] standpunten over de islam die kant noch
wal raken." Ik heb dat soort scheldpartijen al zo vaak gehoord van mensen
die zonder argumenten vallen, dat ik ook hier verregaande ondeskundigheid
als verklaring durf vermoeden. Na al die jaren ken ik Vermeulens deskundige
standpunten wel zo'n beetje, en ik kan er mij geen herinneren dat "kant noch
wal raakt". Of zouden de gewraakte uitspraken van Leopoldsburg aan die
beschrijving beantwoorden? Hij zou, volgens zijn vijanden, deze vier dingen
gezegd hebben:
(1) "Als de Westerlingen er niet op gewezen hadden dat er iets onder hunne
zandbak zat, dan hadden ze nooit olie gevonden. Nu zeggen de Arabieren dat
God het hun gegeven heeft."
(2) "Turkse mannen zijn enkel geïnteresseerd in wat tussen de vrouwen hun
benen zit. Hiervoor moorden zij elkaar uit."
(3) "De Turken hebben zelf al holokausten uitgevoerd op andere volkeren. De
Duitsers zijn dus niet begonnen met Endlösung."
(4) "De Turkse staat wordt bestuurd door vier zatte generaals, vier pasja's
vanuit Ankara."
Vermeulens bewoordingen, voorzover juist weergegeven,
waren wat al te goed aangepast aan het soldatengezelschap dat hij in
Leopoldsburg verwachtte aan te treffen, maar zijn stellingen zijn
inhoudelijk zeker niet "te gek voor woorden", zoals Yves Desmet meende. Zo
is het gewoon een feit dat de oliewinning in de Arabische "zandbak" (beledigende
term, doch vgl. "de grote plas" voor de NATO-oceaan) door Westerlingen
gestart is. Anderzijds is het waar dat, zoals Lucas Catherine ("Arabistiek
met gaten", De Standaard, 26-4-2000) opmerkt, de Arabieren al vertrouwd
waren met het natuurverschijnsel van de opborrelende of op water drijvende
aardolie, Arabisch nafta, en die ook als brandstof gebruikten. Ook andere
volkeren in die regio kenden het, en waarschijnlijk was nafta het geheim van
de profeet Elia toen hij tijdens zijn duel met de Baäl-priesters "water" op
zijn offerdier goot en het daarmee onder een felle zon vlam deed vatten.
Maar voor het industrieel potentieel van de aardolie, en voor het ontdekken
en aanboren van ondergrondse voorraden, dus voor hun huidige fabelachtige
olie-inkomsten, moesten de Arabieren inderdaad op Westere tussenkomst
wachten. Ook de term benzine, waarvan Catherine terecht zegt dat hij uit het
Arabisch komt, heeft niets met aardoliewinning te maken: hij is afgeleid van
benzoë, van Arabisch lobaan-djawi, (in de Romaanse talen werd lo- ten
onrechte als lidwoord geïnterpreteerd, dus "de baan-djawi"), "olie van
Java", een plantaardige olie. Anders dan hun Westerse fans hebben de
Arabieren zich nooit beroemd op technische prestaties. Zij putten hun
fierheid uit hun bezit van de ware godsdienst, en lieten de eer van de
wetenschappelijke verdiensten graag aan anderen over: hun wiskunde was
Indisch, hun sterrenkunde hellenistisch, hun bestuurssysteem Perzisch, hun
moskeebouw Byzantijns, hun scheikunde Chinees. Daarom noemen zij hun
geneeskunde Joenani tibb, "Griekse geneeskunde", en hun "Arabische" cijfers
rakmoe'l-Hindi, "Indische cijfers". Naast de industriële oliewinning waren
ook een aantal humanitaire verworvenheden zoals de afschaffing van de
slavernij in het Midden-Oosten aan Westerse tussenkomst te danken.
Het is eveneens een feit dat Turkije er al enkele
volkerenmoorden en etnische zuiveringen heeft opzitten. Het betrof, om ons
tot de 20ste eeuw te beperken, Armeniërs, Grieken, Koerden, Assyriërs en
Chaldeeërs. Wie de ooggetuigenverslagen van de pogroms niet wil geloven, mag
zich tot de koude bevolkingscijfers wenden en uitleggen waarom het
kristelijke aandeel op honderd jaar tijd gezakt is van één derde van de
bevolking tot minder dan één procent. Aan Vermeulens kritici zou ik willen
suggereren, dit vervelende feit met een heel ander soort argument te
beantwoorden. Dat de minderheden juist in de 20ste eeuw zo geleden hebben,
onder het halfsekuliere jong-Turkse en onder het militant-sekuliere
Kemalistische bewind, is niet alleen te wijten aan materiële omstandigheden
zoals de verplettering van het Ottomaanse rijk in 1914-18 of de toenemende
bevolkingsdruk en beter transport die aan het isolement van kristelijke
gemeenschappen in het zuidoosten een einde maakten. Er is ook de religieuze
faktor: onder islamitisch bewind werden de niet-moslims "op hun plaats"
gehouden, als ondergeschikten zonder kans op politieke machtsovername, en in
ruil beschermde de moslimoverheid hen doorgaans tegen eventuele agressie van
door Koraanpredikers opgehitst moslim-gepeupel. Het is toen die formele
ondergeschiktheid van de nietmoslims afgeschaft was, dat de jacht op hen pas
goed geopend werd. De islam kan leven met ondergeschikte niet-moslims, maar
niet met gelijkberechtigde nietmoslims. Daarom dat de etnische en religieuze
minderheden er veel beter aan toe zijn in het theokratische Iran dan in het
sekuliere Turkije.
Of Turkse generaals vaak naar de fles grijpen weet ik
niet, maar als behoeders van Atatürks lekenstaat voelen zij zich allicht
niet gebonden door het islamitische alkoholverbod. In Turkije doet ook de
man in de straat op dit gebied vaak openlijk wat in Saoedi-Arabië alleen (doch
veelvuldig) achter het gordijn gebeurt. In ieder geval staat vast dat de
generaals in de Turkse politiek inderdaad het laatste woord hebben. Dit punt
is politiek niet zonder belang, nu vanuit één of ander ondemokratisch
cenakel gedekreteerd is dat Turkije lid moet worden van de EU.
Tegen Jörg Haider brengt de EU de Brezjnev-doktrine in stelling (aldus
analyzeren ondermeer Lech Walesa, Vaclav Havel en prof. Boudewijn Boeckaert
het door de EU gehanteerde principe van "geen soevereiniteit voor wie van de
linksliberale weg afwijkt"), maar een feitelijk generaalsregime zou de
demokratische zuiverheid van de EU mogen komen bezoedelen? Als Turks-Leopoldsburgse
moslim zou ik daarop antwoorden dat er in formeel islamitische republieken
als Iran meer demokratie en minder militaire inmenging is dan in Turkije, en
dat juist de islamisten de slachtoffers zijn van militaire bemoeienissen met
de Turkse politiek, zie bv. het gedwongen aftreden van de demokratisch
verkozen islamistische premier Necmettin Erbakan. (En als zegsman van de EU
of van de regering-Slangen/Michel zou ik dààr dan weer op antwoorden dat
zulke afzetting van een niet-linksliberale regering juist een voorbeeld is
van het beleid is dat ook de EU voortaan tegenover stoute landen en partijen
moet voeren.)
Niet dat de demokratie in de islamwereld ooit gebloeid heeft, en voorzover
ze er nu in een landje of drie effektief bestaat, is dat onder Westerse
invloed; maar Vermeulens kritiek op de gebrekkige Turkse demokratie is
minstens gedeeltelijk een kritiek op verwestersende sekuliere nationalisten
in de Turkse bestuursklasse eerder dan op de islam. Anderzijds moet men toch
de vraag stellen naar het verband tussen de ideologische konditionering van
een volk door de islam en de aperte afwezigheid of mislukking van de
demokratie in tientallen moslimlanden. Waarom werkt het Britse parlementaire
systeem in India en niet in Pakistan? En in de demokratieën die er dan zijn,
met name in Bangladesj en Maleisië, stellen we vast dat het vooral een
demokratie is voor de moslims (zoals Zuid-Afrika alleen voor de blanken een
demokratie was), terwijl de niet-moslims openlijk of via de kleine
lettertjes uitgesloten worden van echte deelname aan de macht, en
integendeel aan ernstige diskriminaties onderworpen zijn.
Mohammed zei dat als drie moslims samen reizen, ze er één
van hen tot aanvoerder moeten kiezen om zo tot een militaire bevelsstruktuur
te komen. Goede zielen die in de "islamitische demokratie" geloven, zouden
daaruit de erkenning van demokratische verkiezingen kunnen afleiden.
Historisch slaat de weegschaal echter door naar de islamvoorkeur voor een
militaire bevelsstruktuur, met bevelen en gehoorzamen en straffen. In ieder
geval is de onaantastbaarheid van de sjari'a intrinsiek strijdig met het
beginsel dat het volk soeverein zijn eigen wetten bepaalt.
"Tussen hun benen"
Dat Turkse mannen bij vrouwen vooral belangstelling hebben voor wat er "tussen
hun benen zit", zoals Vermeulen gezegd zou hebben, is een vermoeden dat in
ongeveer dezelfde mate voor andere volkeren zal gelden. In zoverre was zijn
vermeende uitspraak onterecht eenzijdig. Toch dient hierbij vermeld te
worden dat juist de (vaak als zeer realistisch geprezen) islamwet ervan
uitgaat dat mannen van vrouwen niets anders willen dan seks, en dat een man
die een minuut met een vrouw alleen is, haar meteen zal bespringen. Vandaar
de talloze regels om de geslachten gescheiden te houden, vandaar ook dat
vele moslim-mannen niet dulden dat hun vrouw zich door een dokter laat
onderzoeken tenzij in hun eigen bijzijn (zoals ook Vlaamse dokters over
Turkse mannen getuigen). Voorjaar 2000 hield een stedelijke lagere school in
Mechelen een ouderkontakt dat uitdrukkelijk alleen voor de moeders bestemd
was: Marokkaanse vrouwen mogen van hun man namelijk niet naar een
bijeenkomst waar ook andere mannen aanwezig zijn.
Het is gewoon een feit dat, waar Turkse en Vlaamse mannen
in dit opzicht van nature weinig verschillen, de islam wèl enorm verschilt
van het kristendom en andere religies. Zo stelt de Koraan het paradijs niet
voor als een staat van Godsaanschouwing of van uitdoving der verlangens,
waar in Jezus' woorden "niet gehuwd en niet ten huwelijk gegeven wordt",
maar wel als een plaats van eindeloze lust, eeuwen durende orgasmes met
talloze maagdelijke hoeri's, voortdurend van wijn voorzien door mooie knapen.
Geen andere Heilige Schrift vereenzelvigt het paradijs zo sterk met
eindeloos seksueel genot, als de Koraan doet. Dat Mohammed er meer vrouwen
op na hield dan Zarathoesjtra, Mozes, Boeddha, Confucius, Laozi en Jezus
tesamen, is hem gaarne gegund; minder fraai is dat hij als enige
godsdienststichter gijzelneming beoefende en de verkrachting van vrouwelijke
gijzelaars expliciet goedkeurde (waarbij hij soms wel en soms niet de
toepassing van coitus interruptus aanbeval). Men kan dit vergoelijken als
een blijk van de aardse levensechtheid van de islam in tegenstelling met de
vergeestelijkte wereldvreemdheid van sommige andere religies; feit blijft
dat de islam inderdaad veel meer met zijn gedachten "tussen de vrouwen hun
benen" zit dan in andere religies de norm is.
Dat Turkse mannen al eens voor een vrouw met elkaar op de
vuist gaan, is natuurlijk niet typisch islamitisch. Wel diep geworteld in de
islam is de schrikbarende regelmaat waarmee moslim-vrouwen het slachtoffer
worden van afranseling, opsluiting en moord wegens vermeende seksuele
vergrijpen (zoals enkele minuten met een andere man alleen zijn). In de
media horen we af en toe iets over geweld, inbegrepen moord, tegen
migrantenmeisjes die het met een Europeaan aangelegd hebben, maar ook
ontluikende relaties binnen de moslimgemeenschap zijn vaak aanleiding tot
zulke misdaden, typisch gepleegd door de broers van het meisje, soms ook
door haar ouders. Ondermeer de Berbers-Franse zangeres Djura heeft hierover
getuigd, en ook over hoe moslim-jongens van kleins af aangemoedigd worden om
hun zussen te slaan.
Men moet de gewelddadige kontrole over vrouwen niet
afdoen als een typisch heel-Mediterraan gebruik dat men even goed op Sicilië
aantreft (zoals ondermeer prof. Yahya Michot, prof. Herman De Ley en Lucas
Catherine plegen te doen), er is hier een expliciet islamitische faktor in
het spel. Terwijl de zeden van andere Mediterrane volkeren in mildere zin
geëvolueerd zijn, verzet de islam zich expliciet tegen die evolutie. Toen
Mohammed in Medina hoorde van een geval van overspel binnen de joodse
gemeenschap (vooraleer deze op Mohammeds bevel deels verbannen en deels
uitgemoord werd), eiste hij dat zij de Mozaïsche wet zou toepassen, namelijk
steniging van de twee geliefden. De joden hadden dat gebruik al een tijdje
vervangen door een publieke vernedering van overspeligen (met teer
ingesmeerd achterwaarts op een ezel door de stad geparadeerd worden), en zij
probeerden Mohammed met Talmoedische spitsvondigheden wijs te maken dat de
nieuwe straf niet strijdig was met Gods wil. De Profeet liet zich niet
vermurwen: de twee geliefden werden gestenigd tot de dood erop volgde. Soera
4 van de Koraan beveelt mannen ook expliciet om bij ongehoorzaamheid hun
vrouwen te slaan en op te sluiten. In de behandeling van de vrouw was de
islam, ook volgens getuigenissen die in de basisteksten van de islam zelf
doorklinken, onmiskenbaar een stap achteruit. Lucas Catherine (Islam voor
Ongelovigen, p.203) heeft in tempore non suspecto de Marokkaanse feministe
Fatna Ait Sabbah geciteerd, die zegt dat ze moet kotsen bij het horen van
het nu populaire smoesje dat de islam de vrouw bevrijd heeft.
Merk overigens op dat de aan Vermeulen toegeschreven
uitschuiver over de bijgedachten van Turkse mannen een hoog
Brusselmans-gehalte heeft. Men herinnert zich hoeveel steun Herman
Brusselmans in november 1999 kreeg toen hij met dergelijke frasen uit zijn
boek Uitgeverij Guggenheimer in opspraak kwam. Enkele Bekende Vlamingen
publiceerden op de opiniebladzijde van De Standaard zelfs een petitie, die
ronkend besloot met Voltaires woord: "Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal
vechten totterdood voor uw recht om het te zeggen." Wel, laat eens kijken.
Het lijdt geen twijfel dat trendy BV's de harde waarheden van Urbain
Vermeulen verafschuwen. Zullen zij nu "vechten totterdood" voor zijn
onverkort spreekrecht? Die grimmige term "totterdood" zullen zij wel aan de
sneuvelende dissidenten in Algerije of Iran overlaten, want zo'n diep
engagement past een gearriveerde BV niet. Maar een ongevaarlijk woordje van
steun moet er bij Kristien Hemmerechts of Tom Lanoye toch afkunnen?
Het islam-negationisme
Op 25 april 2000 drukte De Standaard op p.6 een bericht af over de
aanhouding van enkele Iraanse vrijdenkers wegens "belediging van de islam",
en op p.9 een brandschrift tegen prof. Vermeulen wegens hetzelfde vergrijp,
onder de titel "Islamkunde en racisme". Daarin ziet de Gentse professor
Herman De Ley verheugd het "eventuele vertrek" van Vermeulen tegemoet, wiens
uitspraken "schandelijk", "driest" en "grofste belediging" heten, en noemt
hij de soldaten van Leopoldsburg terloops ook "janhagel". Laat eens kijken
of hij voor dat onakademische taalgebruik een blaam zal krijgen.
Nog op p.6 vinden we een foto van Armeniërs die 85 jaar
na de feiten de Armeense genocide gedenken. En op p.9 viert ook prof. De Ley
de verjaardag van de Armeense genocide, namelijk met het instemmend citaat
dat het Turkse beleid in 1915 "betreurenswaardig maar politiek begrijpelijk"
was. Hij ontleent deze beoordeling aan een Amerikaans auteur, Justin
McCarthy, die daarmee heel toevallig een geschikte wetenschappelijke
onderbouwing verschaft aan het pro-Turkse beleid van de VS-regering. De
gewraakte prof. Vermeulen heb ik alleszins nooit zulke rechtvaardiging horen
uitspreken voor moorden op moslims of op eender wie. Integendeel, ik kan
persoonlijk getuigen dat zijn aandacht tijdens onze gesprekken over het
hindoe-moslim-konflikt juist uitging naar het menselijk leed dat hieruit
voortkomt. Toen ik hem over de rellen na de afbraak van de Babar-moskee
vertelde, pogroms tegen hindoes die door eskalatie op de duur ook tot veel
moslimdoden leidden, bestond zijn repliek uit één woord: "Vreselijk." De Ley
is minder sentimenteel: sommige betreurenswaardige massamoorden moeten nu
eenmaal, en kunnen op zijn politiek begrip rekenen. Naast het "probleem-Vermeulen"
(aldus Johan Leman in De Standaard, 20-4) zitten we dus met een probleem-De
Ley. Verleggen we de aandacht daarom van de uitspraken van islamkenner
Vermeulen naar die van islampropagandist De Ley.
Deze herneemt in zijn kampanje tegen Vermeulen (die niet van vorige week
dateert, zo zorgde hij in 1999 voor de disinvitatie van Vermeulen op een
kongres in Dendermonde over de Kruistochten) enkele apologetische
klassiekers. Zo zou de Armeense genocide het werk zijn van het jong-Turkse "nationalisme",
de nieuwe boeman voor alle doeleinden. De daders op het terrein waren
nochtans voornamelijk dorpers die niets wisten van grootsteedse
nieuwlichterijen als het sekuliernationalisme, maar die wel gehoor gaven aan
de oproep van de kalief tot de djihaad tegen de ongelovigen. Want zoals
lezer J. Albes uit Gent opmerkt (De Morgen, 29-4-2000), was de Armeense
volkerenmoord, net als de Rwandese, evenzeer het werk van het volk als van
de staat. De meeste burger-deelnemers waren Koerden. Zoals op VRT-Aktueel
(24-4-2000) gezegd werd: Istamboel "liet de Koerden op de Armeniërs los".
Wil De Ley ons doen geloven dat die Koerden uit Turks nationalisme handelden?
Ook recente pogroms tegen de laatste kristenen in Oost-Turkije waren
religieus gemotiveerd, zoals vluchtelingen (er zijn er enkele duizenden in
België alleen) mij bevestigd hebben.
Wie een genocide goedpraat moet geen half werk doen: hij
moet de slachtoffers ook de schuld geven. Onder Turken hoor je de feiten dus
vaak gewoon omdraaien: de Armeniërs hebben een genocide op de Turken
gepleegd. Op een moslimdiskussielijst op internet las ik dat de Armeniërs in
1915 maar liefst 2,5 miljoen Turken omgebracht hebben, en dat Armenië nu
maar eens herstelbetalingen moet gaan doen en grondgebied afstaan. (Aldus
ene Yalin Ekici op soc.culture.lebanon, 8-10-1995, gereproduceerd in het
joodse tijdschrift Mentalities/Mentalités, Hamilton NZ 1997, p.81; noteer
daarbij dat etnisch Armenië in 1915 twee derden van zijn grondgebied verloor,
dat inmiddels door Turken en Koerden bewoond wordt.) De Ley's variant hierop
is dat Balkan-kristenen tussen 1821 en 1922 "vijf miljoen" moslims gedood
hebben, dit bovenop de miljoenen die zij verdreven hebben, en de miljoenen
die (blijkens hun strijdbare aanwezigheid in de jongste konflikten in Bosnië
en Kosovo) gewoon ter plaatse gebleven zijn. Gezien de betrekkelijk beperkte
bevolkingscijfers van de betrokken gemeenschappen op de 19de-eeuwse Balkan
is de aanspraak op vijf miljoen dodelijke slachtoffers gewoon absurd, maar
het is inderdaad waar dat de bevrijding van de Balkan gepaard ging met
repressie tegen de kollaborateurs van de Ottomaanse bezetter. Goede Belgen
noemen zulke repressie doorgaans "betreurenswaardig maar politiek
begrijpelijk". Zij was een reaktie op de bloedige wijze waarop de bezetter
het verzet bestreden had, met vele kristenslachtoffers die De Ley echter
niet geteld heeft. Zij zijn immers maar een detail in de geschiedenis.
Een terloopse doch onthullende zijsprong in De Ley's
betoog is zijn vergelijking tussen moslims in België, die zich toch niet
moeten verantwoorden voor wat moslims elders in de wereld misdoen, met de "Vlaamse
katholieken" van wie men toch ook niet verwacht dat ze zich voor de Rwandese
genocide verontschuldigen. Voor alle duidelijkheid: ik geloof niet in
kollektieve verantwoordelijkheid, en ik heb mijn moslimburen dus nooit ter
verantwoording geroepen voor de bomaanslagen en gijzelnemingen die
regelmatig het nieuws halen. Maar zelfs als men in kollektieve
verantwoordelijkheid gelooft, dan nog kan men de Vlamingen (zonder
uitzondering) niet voor de Rwandese genocide verantwoordelijk stellen. Wel
de Hutu-daders zelf; en in bijkomende orde ook de Belgische vrijzinnige
politici die koning Boudewijns bede om steun aan het militaire belaagde "katholieke"
regime in Rwanda verwierpen en de Tutsi-invasie middels het opgedrongen
Arusha-akkoord legitimeerden, een akkoord dat onder de Hutu's paniek
veroorzaakte bij het vooruitzicht om na 35 jaar Hutu-bewind weer onder de
Tutsi-knoet terecht te komen. Want die angst leidde tot de "preventieve"
genocide op de Tutsi's. Toch slaagt De Ley, als lid van de georganizeerde
papenvreterij, er terloops toch even in om de Vlaamse kaloten valselijk met
noch min noch meer een genocide in verband te brengen. Zijn openheid voor de
islam heeft hem blijkbaar niet tot meer verdraagzaamheid tegenover het
katholicisme gebracht.
Waarom men de islam wantrouwt
Als Vlamingen de islam wantrouwen, dan ligt dat niet aan de lezingen van
Urbain Vermeulen, wel aan de nieuwsberichten uit Nigeria, waar regionale
moslimmeerderheden de sjari'a willen invoeren en hardhandig de tegenstand
van kristenen en animisten breken; uit Afghanistan waar de Taaliban, de "studenten"
die in Koraanscholen grootgebracht zijn en de islam door en door kennen,
dagelijks het "vooroordeel" bevestigen als zou de islam vrouwonvriendelijk
zijn; of uit de Molukken, waar moslim-inwijkelingen de kristelijke
meerderheid tot een minderheid gemaakt hebben en kerken platbranden. De
grootste genocide tijdens mijn leven was waarschijnlijk die in Oost-Pakistan
(1971, officieel 3 miljoen doden), een djihaad die vooral de
hindoe-minderheid viseerde. Het gaat hier om reële gebeurtenissen met
slachtoffers van vlees en bloed, niet om papieren "vooroordelen".
Prof. De Ley houdt die feiten buiten beeld maar erkent
wel in abstracto dat moslims soms iets mispeuteren. Hij vindt echter dat men
er in de beoordeling van religieus geweld niet de basistekst van de
betrokken religie moet bijsleuren. Een schande vindt hij het dat "gelijk
welk negatief gegeven in een moslimkontekst niet verklaard wordt vanuit
maatschappelijke en politieke processen, maar steeds en overal vanuit 'de
islam'". Volgens hem is "geen enkele openbaringsgodsdienst te herleiden" tot
een "(selektieve) lektuur van eeuwenoude basisteksten". Hij neemt moslims
blijkbaar niet ernstig, want de Koraan erbij halen, dat doen zij zelf. Hun
strijd voorstellen als gemotiveerd door "de islam", dat doen zij zelf.
Enkele jaren terug simuleerde het Pakistaanse leger als oefening een oorlog
tegen het heidense India, onder de naam Zarb-e-Momien, "vuistslag van de
gelovige". Moslimterreurgroepen dragen namen als Hezbollah, "brigade van
God", of Harkat-al-Moedjahedien, "organizatie van de strijders op de weg van
Allah". Overal waar moslims met niet-moslims slaags zijn, citeren zij de
Koraan en de precedenten van de Profeet. Zo was de Duivelsverzen-fatwa
juridisch gebaseerd op het precedent van Mohammeds eigen bevel tot de moord
op zijn kritici.
Kortom, het probleem ligt niet bij de moslims, die mensen
zijn gelijk wij, maar bij de islam. Het probleem is niet dat er onder
moslims, zoals in alle gemeenschappen, boosaardige mensen zijn; wel dat de
islam ook goede en vrome mensen tot het kwade aanzet. Om ons te beperken tot
het jaar voorafgaand aan het incident-Vermeulen: de pogroms in Oost-Timor en
de Molukken, de vliegtuigkaping in Kathmandoe, de gijzelneming in de
Filippijnen, de uitmoording van een sikh-dorp in Kasjmir, die zijn niet het
gevolg van de persoonlijke boosaardigheid van de daders, wel van hun
vroomheid en toewijding aan hun godsdienst. Dat is nu juist het perverse van
de Koranische doktrine: goede mensen beschouwen het als hun religieuze
plicht om andersdenkenden te bestrijden en te onderdrukken, omdat hun
heilige schrift hen daartoe oproept. Oproepen tot haat hebben een effekt
vergelijkbaar met dat van alkohol op automobilisten. Sommigen hebben geen
alkohol nodig om een gevaar op de weg te zijn, anderen geraken zelfs dronken
veilig thuis, maar voor de meesten heeft alkohol een onmiskenbaar negatieve
invloed op het rijgedrag. Welnu, sommigen hebben de Koraan niet nodig om te
haten, anderen weten zelfs de Koraan in menslievende zin te interpreteren,
maar in het algemeen heeft de Koraan een negatieve impakt op de relaties van
gelovigen met anderen.
De Ley fantaseert over een "typisch islamitisch religieus
pluralisme". Dat religieus pluralisme ook in de islam erkend wordt, zou al
een gewaagde stelling zijn, maar dat religieus pluralisme typisch
islamitisch is, iets waardoor de islam zich van andere religies onderscheidt,
dat is werkelijk "te gek voor woorden", dat "raakt kant noch wal". Blijkbaar
heeft Adolf Hitlers opmerking dat mensen liever grote dan kleine leugens
geloven, nog steeds volgelingen. Hoe dan ook, De Ley's gretige fata morgana
weegt niet op tegen de precedentwaarde van het levenswerk van Mohammed,
namelijk de vernietiging van het religieus pluralisme in Arabië. De heidenen
kregen er de keuze tussen de islam en de dood, kristenen en joden werden
verbannen, en in de eerste islamitische republiek te Medina mocht slechts
één religie voortbestaan.
De profeet lanceerde ook een eerste (mislukte) invasie in
het Byzantijnse rijk, begin van een lange strijd tegen de kristenheid waarin
de kruistochten slechts een tijdelijk tegenoffensief vormden. Prof.
Vermeulen had dus gelijk toen hij tijdens een recente lezing in Ekeren
stelde dat de paus en andere Kerkleiders zich danig vergalopperen met hun
verontschuldigingen voor de kruisvaart. Europa was op heel zijn zuidelijke
flank in het defensief gedrongen door een agressieve islam, en de
kruistochten brachten de hoognodige verlichting door het front tijdelijk
naar gebieden onder moslimkontrole te verleggen. Er waren natuurlijk
excessen van geweld, zoals die er in de andere richting bij tijd en wijle
ook geweest zijn, maar verontschuldigingen voor de kruisvaart als militair
initiatief zijn klinkklare onzin, tenzij de moslims zich verontschuldigen
voor hun verovering van Spanje en Byzantium, en bijvoorbeeld ook voor de
wegvoering van miljoenen Zuid- en Oost-Europeanen naar de slavenmarkten van
Tunis en Bagdad.
In de veroverde gebieden werden joden en kristenen
derderangsburgers in hun eigen land, zonder politieke rechten, onderworpen
aan een twintigtal vernederende bepalingen en aan een gedoogbelasting.
Bovendien waren zij het mikpunt van pogroms, zoals de joods-Egyptische
historica Bat Ye'or aangetoond heeft. De Ley's "cijfermatig aantoonbare
positieve effekten op de kristelijke populaties" van het "typisch
islamitisch religieus pluralisme" zijn als volgt: in Syrië, Egypte en
Turkije vormden kristenen bij de dood van de Profeet (632) de overgrote
meerderheid, bij het begin van de kruistochten een nipte meerderheid, in de
Ottomaanse tijd een grote minderheid, en vandaag een kleine minderheid.
Wellicht verwijst De Ley naar enkele zeer tijdelijke en
plaatstelijke gevallen van groei in het kristelijk bevolkingspercentage, die
echter als volgt verklaard moeten worden. De gedoogbelasting en de talloze
maatschappelijke nadelen van het niet-moslim-zijn moedigde aan tot bekering
tot de islam. Alleen de begoede klasse kon de belasting opbrengen zonder
zichzelf teveel pijn te moeten doen, en kon zich ook een zekere veiligheid
kopen via goede zakenrelaties met de heersers en steekpenningen aan de
politie en aan moslimleiders. In streken onder moslimbewind zie je daarom na
verloop van tijd dat, behalve in geïsoleerde gebieden, bijna alle
overblijvende niet-moslims tot de begoede klasse behoren, bv. de Kopten in
Egypte of, tot hun uitdrijving in 1990, de hindoe Pandits in Kasjmir. Bij
welgestelden lag de kindersterfte lager, wat in vreedzame periodes zonder
uitdrijvingen of gedwongen bekeringen inderdaad tot een tijdelijke
procentuele groei kon leiden. Om dezelfde reden kenden zogenaamd sterk anti-semitische
Europese regio's als Polen en Oekraïne een bijna kontinuë stijging van het
percentage joden, wat voor prof. De Ley beslist geen reden is om het anti-semitisme
als een fabeltje weg te wuiven. Zijn bewering doet niets af aan het
diskriminerende karakter van het moslimbewind noch aan de algemene tendens
tot verdwijning van de andere religies onder moslimbestuur.
Overigens werden niet-Abrahamische religies als mazdeïsme en boeddhisme in
Centraal-Azië nog veel sneller gemarginalizeerd of uitgeroeid dan het
kristendom in het Midden-Oosten. Het lot van de echte "heidenen" wordt
altijd buiten beeld gehouden in debatten over "islam en verdraagzaamheid",
waarbij de aandacht steeds naar de minder hard getroffen kristenen en joden
gaat. De Ley heeft vanuit het sekuliere België mooi praten over het "typisch
islamitisch religieus pluralisme": de talloze niet- of ex-moslims uit Iran,
Pakistan en Bangladesj die ik gesproken heb, zeggen nooit iets gezien te
hebben van dat wereldwonder.
Islam en Verlichting
Naast het hoofdartikel (De Morgen, 19-4-2000) waarin Yves Desmet, aajatollah
van het multikultureel linksliberalisme, zijn fatwa tegen prof. Urbain
Vermeulen uitsprak, stond in de citatenkolom een opmerking van
kamervoorzitter Herman Decroo over de islam. Deze olijke vrijzinnige vindt
het een anomalie dat nu de mensen niet meer ter kerke gaan, ze desondanks
toch nog weinig begrip voor de islam kunnen opbrengen. Volgens hem getuigt
dit van een achterlijke angst voor het vreemde. Blijkbaar willen sommigen
maar niet begrijpen dat de islam (net zoals de katholicisme voor
vrijzinnigen als De Croo) een heel ander probleem stelt dan een van "vreemdheid".
Het Tibetaans boeddhisme is heel wat exotischer dan de
islam, en toch wekt de inplanting van een Tibetaans-boeddhistisch centrum in
Schoten of Hoei geen wrevel of angst bij de plaatselijke bevolking, die
hierin nu eens wèl een geval van "multikulturele verrijking" ziet. Uit de
kulinaire gewenning van onze bevolking aan diverse uitheemse keukens, uit de
verkoopscijfers van schrijfsters als Lulu Wang of Arundhati Roy, of uit het
orderboek van onze reisagentschappen, blijkt allerminst een angst voor het
vreemde. De Croo vergist zich door "het vreemde" als het probleem aan te
wijzen. Merkwaardig genoeg deelt hij die misvatting met Frank van Hecke, die
in zijn eerste interview als VB-voorzitter (Gazet van Antwerpen, 12-6-1996)
verklaarde dat hij niets tegen de islam had, en dat hij de inwijking van
600.000 boeddhisten in plaats van moslims even erg zou vinden.
Nee Herman, nee Frank, de islam is grondig verschillend
van andere "vreemde" tradities. Het verschil zit hem in de in de Koraan
vastgelegde oproep tot strijd tegen de niet-moslims, die dan weer samenhangt
met het politieke en totalitaire karakter van de islam: het doel van de
islam in elk land is altijd om een staat te stichten waarin de islam
domineert en de sjari'a het handelen van de burgers op alle levensdomeinen
bepaalt. Het boeddhisme kon zich overal aan de bestaande orde aanpassen, van
Indiase kastesamenleving over konfuciaanse burokratie en Japans militair
feodalisme tot Californisch ekolo-kapitalisme. Het bemoeide zich zo min
mogelijk met politiek en samenleving en legde zich uitsluitend toe op zijn
spirituele missie. De islam daarentegen zal niet rusten vooraleer hij in
zijn expansiegebieden, waaronder nu vooral Europa, de staat geïslamizeerd
heeft. En daarover zou een politiek leider als De Croo zich beter dringend
bezinnen, in plaats van de bevolking wijs te maken dat het maar om een soort
exotische nieuwe mode gaat.
Dat Westerse islam-apologeten de Koraan zo ver mogelijk
buiten beeld willen houden, is geen toeval. De hele doktrine van
superioriteit van de moslims en van haat jegens de niet-moslims wordt daarin
breedvoerig uiteengezet. Dat je je vrouw(en) mag en soms moet slaan, dat je
de afvallige moet doden, dat vriendschap met ongelovigen te mijden is, dat
pas de volledige islamizering van de wereld een einde zal maken aan de
vijandschap tussen moslims en niet-moslims: het staat er allemaal in. Wat er
gelukkig ook en zelfs vrij expliciet instaat, is dat er wat scheelde met de
Profeet zelf. Dr. Herman Somers heeft in zijn boek Een Andere Mohammed
uitvoerig aangetoond dat Mohammed een schoolvoorbeeld was van het bekende
syndroom paranoia, een door hallucinaties gevoede waan omtrent zichzelf. In
dit geval ging het om een uitverkiezingswaan, en de sensoriële hallucinaties
waren de stemmen die hij in trance-toestand hoorde, en wier "openbaringen"
opgetekend zijn en gebundeld tot de Koraan. Nee, dit is geen Westers
vooroordeel, want een gelijkaardige analyse van de Koranische openbaring
vinden we bij geboren moslims, ondermeer de Egyptenaar Abdullah Kamal (aldus
De Standaard 15-7-1996) en de Pakistani's Anwar Shaikh en Ibn Warraq. En
nee, dit is geen onverantwoorde projektie van moderne kategorieën op iemand
uit de oudheid, want Mohammeds tijdgenoten vonden ook al dat die "openbaringen"
maar zelfbegoocheling waren: niet minder dan elf keer spreekt de Koraan (d.i.
Mohammed zelf) Mohammed moed in omdat zijn toehoorders hem een gestoorde of
een fantast noemen. In de Hadieth vinden we nog meer getuigenissen dat zijn
tijdgenoten het maar doorgestoken kaart vonden, en zelfs zijn
lievelingsvrouw Aisja vond het vreemd dat die openbaringen toch altijd zo
buitengewoon goed in Mohammeds persoonlijke kraam pasten.
De polemiek waarin prof. Vermeulen verwikkeld is geraakt,
betreft dus niet de kern van het probleem, en ik zal me over die kern
radikaler uitspreken dan hij ooit gedaan heeft. Of de islam nu wel of niet
fanatiek is, of hij nu onrecht doet aan de vrouw of niet, dat zijn legitieme
maar uiteindelijk sekundaire kwesties. Belangrijker is dat de islam gewoon
een vergissing is. Weliswaar heeft de islam een aantal bestaande
kultuurwaarden overgenomen die soms verkieslijk lijken boven de morele chaos
van het postmoderne Westen, getuige de rol van de islam in de door drugs en
misdaad geteisterde Amerikaanse negerwijken; maar de definiërende
waarheidsaanspraak van de islam ("Mohammed is Zijn profeet") is gewoon
onjuist.
Als een vriend van me zou blijken te geloven dat de aarde
plat is, of dat de kindertjes uit de bloemkool komen, dan zou ik het als
mijn plicht beschouwen, hem dat uit zijn hoofd te praten. En als onze
medelanders met namen als Ali en Fatima nog in het sprookje van de
Koraan-openbaring geloven, dan is het ons aller plicht om hen de weg uit die
dwaling te wijzen. Ik weet nog hoe ik als zesjarige in de zandbak zat te
spelen toen mijn zus mij de ware toedracht over Sinterklaas vertelde.
Telkens ik moslims hoor fulmineren tegen de zoveelste "belediging van de
islam" zie ik mezelf weer met rasse schreden naar de keuken stappen om
moeder verontwaardigd te vertellen wat mijn zus had durven beweren. Ach, er
is nog leven na het verlies van je geloof in sprookjes.
De oplossing is niet, moslims het land uit te wijzen, wel
de moslimjeugd hier en ginds maximaal blootstellen aan de impakt van de
Verlichting en met name aan de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek
aangaande religie. En men moet dat niet met "westerse kultuur"
vereenzelvigen: haal er liever de talloze stemmen van vrijdenkers uit de
islamwereld bij, van de Bengaalse feministe Taslima Nasrin ("het probleem is
dat de islam onverdraagzaam is"), van de vermoorde Berber-zanger Lounès
Matoub ("ni Arabe ni Musulman"), of van de Turkse auteur Aziz Nesin, die
gezegd heeft: "Er moet een einde komen aan de duizendjarige tirannie van de
Koraan." Er is niets intrinsiek moslim aan Marokkanen of Turken, en als er
iets hun integratie kan bevorderen, dan is het wel hun eigen traditie van
dissidentie tegen de islam.
Islam en racisme
Wie de islam ter diskussie stelt, mag zich doorgaans aan het etiket "racist"
verwachten, hoewel niet meteen duidelijk is wat het rasbegrip hiermee te
maken heeft. Terwijl men biologen op ons afstuurt om ons te bezweren dat "rassen
niet bestaan" (bv. doordat, naar verluidt, Zweden en Bosjesmannen qua
vingerafdrukpatronen meer op elkaar lijken dan op hun respektieve
gelijkgekleurde buurvolkeren), blijkt het feitelijk semantisch domein van de
term "ras" steeds breder te worden. Wanneer het Vlaams Blok op jongste
1-meifeest 2000 skandeerde "islamieten, parasieten", dan omschreef de
VRT-nieuwsdienst deze inderdaad kwalijke slogan als "racistisch",
implicerend dat de islamieten een ras vormen. Toen diezelfde partij zich
recent bekeerde tot het beginsel dat immigranten zich mogen assimileren als
alternatief voor "opkrassen", op papier toch een reuzenstap wèg van het
racisme (want geassimileerde vreemdelingen zullen op termijn hun zaadjes en
eitjes in de Vlaamse genenpoel uitstrooien), noteerde De Standaard dat Filip
Dewinter tijdens de persvoorstelling scherp uitviel naar de islam, de
belangrijkste verzetshaard tégen de assimilatie; zonder enige remming door
de logika noemde de kwaliteitskrant deze uitval "racistisch".
Voluit: als Dewinter het fundamentalisme veralgemeent,
als hij "zegt dat alle islamieten zo denken en daarom een aparte aanpak
verdienen, is hij volop bezig te diskrimineren op basis van godsdienst. Dan
is Dewinter, in alle definities van die term, een racist." (Rolf Falter: "Optrekken
en remmen in Schiltz-chicane", DS, 2-4-2000) Wie zo pedant is om er
definities bij te halen, kan echter gemakkelijk verifiëren dat "racisme"
diskriminatie op basis van "ras" betreft, niet van "godsdienst". Mocht dit
laatste toch onder het racismebegrip vallen, dan is de islam zelf intrinsiek
een door en door racistische godsdienst, want diskriminatie op basis van wel
of niet moslim zijn is voor de Koraan een must hier op aarde maar ook een
onvermijdelijk lot in het hiernamaals, waar men voor geen ander vergrijp dan
het ongeloof aan Mohammeds aanspraken ten eeuwigen dage in de hel zal
branden. In geen enkele andere religie staat diskriminatie op basis van
godsdienst, dus wat Rolf Falter "racisme" noemt, zo centraal als in de islam.
Toen de bruine Pakistaanse immigrant Mohamed Rasoel in
zijn boekje De Ondergang van Nederland tegen de islam waarschuwde, werd hij
daarvoor door een blanke Amsterdamse rechter in 1992 veroordeeld wegens --
wat anders? --"racisme". Een kleurling die zijn ouderlijke religie aanvalt
en daarvoor als "racist" veroordeeld wordt, het is, om Yves Desmets
terminologie te lenen, "te gek voor woorden". Maar waarom heeft De Morgen
dan nooit geprotesteerd tegen deze onrechtvaardige veroordeling van een
gekleurde medemens?
Uit de jongste polemiek rond professor Vermeulen blijkt alleszins dat er een
"Turks ras" en een "moslim-ras" bestaan. Dat wordt namelijk geïmpliceerd in
het afdoen van kritiek op Turken of op de islam als "racisme". En dit
taalgebruik beperkt zich niet tot betaalde agitatoren maar vindt ook ingang
onder historici en parlementsleden. Kamerlid Ferdy Willems van de Volksunie
is historikus en mag geacht worden te weten wat hij zegt, ook als hij zegt:
"Vermeulen is een racist die zijn carrière gebouwd heeft op iets wat hij
haat." (bij Frank Willemse: "'Professor Vermeulen is een racist'", Het
Laatste Nieuws, 21-4)
De islam is natuurlijk geen ras, maar heeft toch wel iets
met racisme te maken. De historici Bernard Lewis en David Brion Davis hebben
aangetoond dat het antizwarte vooroordeel ontstaan is in de kontekst van de
Arabische negerslavernij. Deze floreerde al acht eeuwen vooraleer de
Portugezen in de 15de eeuw partners werden in de Arabische slavenhandel en
het anti-zwarte racisme gaandeweg overnamen. Moslims mochten heidenen als
slaaf nemen, ondermeer miljoenen Zuid- en Oost-Europeanen (voor wanneer
hiervoor een kollektieve schuldbekentenis vanwege de moefti's en imaams?) en
vooral Afrikaanse animisten. De minachting voor het ongeloof werd
overgedragen op de huidskleur van de ongelovigen, zodat zwarten die zich uit
lijfsbehoud tot de islam bekeerden, spoedig ondervonden dat hun huidskleur
er met een bekeringsformule niet afging, en zij gewoon slaaf bleven.
Ongelovigen heten in het Arabische kafiroen, "ondankbaren", vandaar
Afrikaans kaffers voor de negerslaven die de Hollanders rond de Indische
Oceaan van de Arabieren kochten. Moslim-slavenhouders plaatsten zwarten
systematisch lager in de slavenhiërarchie dan de blanke slaven, zoals nog te
zien is op de typische afbeeldingen van blanke haremvrouwen die door zwarte
meiden verzorgd worden. De Koraan (3:106/102) stelt dat op de dag des
oordeels de bozen zwart zullen worden en de gelovigen blank, wat toch wel
een ongelijk waardeoordeel over die huidskleuren inhoudt.
Ook bij prof. Herman De Ley ("Islamkunde en racisme", De
Standaard, 25-4-2000) vinden we natuurlijk de vereenzelviging van
islamkritiek met racisme. Inzoverre racisme als een vreselijke misdaad geldt,
is dit vreselijke laster. De Ley schijnt niet te beseffen dat de felste
islamkritiek van niet-Europeanen komt, van rasgenoten van de Profeet, of van
nog donkerder medemensen als de Malinese schrijfster Maryse Condé, die in
haar bekende historische roman Ségou schrijft: "De islam is een mes dat
tweedracht zaait, dat wonden slaat waarvan we niet meer genezen."
Islamkritiek is bruin en zwart, niet qua politieke maar qua huidskleur.
Neem nu de beoordeling van Mohammeds profeetschap. In de
Koraan spreekt Mohammed zich moed in tegen de kritiek van mede-Arabieren dat
hij met zijn "goddelijke openbaringen" een gestoorde fantast is, een door
geesten bezetene. Dat de islam een vergissing is, de uit de hand gelopen
egotrip van een stemmenhoorder met uitverkiezingswaan, wordt vandaag niet
alleen beweerd door de Vlaamse psycholoog Herman Somers of de pro-Palestijnse
joodse auteur Maxime Rodinson, maar ook door kleurlingen als de hindoes Ram
Swarup en Sita Ram Goël, en door geboren moslims, ondermeer -- op luchtige
wijze -- door de migrant Salman Rushdie in zijn gewraakte boek De
Duivelsverzen. Men hoort het wel niet meer uit de mond van de Arabische
dichter Sadeq Abdel-Karim Melallah, want die is daarvoor in 1992 onthoofd.
Misschien een tip voor een doortastende beteugeling van foute gedachten bij
ons?
Melallah was maar één van de honderden vrijdenkers in de
islamwereld die de laatste tien jaar gedood zijn. In een lezing tijdens de
Rushdie-krisis heb ik professor Vermeulen aan zijn publiek horen vragen: zal
onze jeugd nog willen opkomen voor de vrije meningsuiting waar vorige
generaties zo hard voor hebben moeten vechten? Bij ons is het antwoord
daarop hoogst onzeker, maar in moslimlanden zijn er talloze Voltaires die
letterlijk hun leven wagen voor het vrije woord. Het zijn die dissidenten in
de islamwereld zelf, frontstrijders voor de vrijheid, die nu door De Ley in
de rug geschoten worden.
"Kultureel racisme"
Sommige akademici die zich toch wat gegeneerd voelen over de onverantwoorde
verbreding van het begrip "racisme" (bv. Pierre-André Taguieff), hebben als
oplossing het begrip "kultureel racisme" gelanceerd. Dit is een contradictio
in terminis, en meestal dient het maar als een soort valsemunterstruuk om
standpunten die uitdrukkelijk niet racistisch zijn, lekker toch racistisch
te kunnen noemen. Dat voorvoegsel "kultureel" wordt immers snel genoeg
vergeten, en een vernietigend machtswoord als "racist", daarvan doe je niet
graag afstand.
Edoch, er is één geval waarin dit begrip wel zinvol kan
zijn, namelijk als men iemands kultuur als een ingeboren en onveranderlijk
gegeven behandelt, net zo wezenseigen als zijn huidskleur. Dit soort "kultureel
racisme" vindt men impliciet zeker in de wildere redevoeringen van de jonge
Filip Dewinter (d.i. vooraleer hij de optie van assimilatie aanvaardde),
maar zijn natuurlijke biotoop is het multikultureel discours. Het zijn juist
de pleitbezorgers van de islam in Europa die doen alsof de islam een
onvervreemdbare kentrek van onze Ali's en Fatima's is, die wij dus maar te
aanvaarden hebben. In werkelijkheid gaat het om een ideologische
konditionering die zij aangepraat krijgen, en waarvan zij zich ook weer
kunnen bevrijden. En vooral: waarvan zij zich wel zullen moeten bevrijden
als zij zich echt in onze samenleving willen integreren. Moeten, niet omdat
wij dat zeggen, maar omdat er nu eenmaal een logische onverenigbaarheid
bestaat tussen integratie en islam.
Het is uiteraard niet de taak van de overheid om aan
religieuze of anti-religieuze propaganda te doen, dat zou te zeer aan
Sovjet-methodes herinneren, maar in de samenleving zelf moeten opinieleiders
een krachtige kulturele beweging op gang brengen die moslimjongeren
aanmoedigt om zich uit het keurslijf van de islam te bevrijden. De overheid
kan helpen om de juiste voorwaarden daartoe te scheppen door een konsekwent
beleid van het type dat men in Frankrijk républicain noemt (huidige
boegbeelden: de linkse socialisten Jean-Pierre Chevènement en Régis Debray):
het straal negeren van groepsidentiteiten ten voordele van integratie via
een sekulier staatsburgerschap. Dit betekent dus: geen multikultuur of "integratie
met behoud van eigen identiteit", maar assimilatie. Uiteraard staat het de
betrokkenen dan nog steeds vrij om djellaba's te dragen of naar de moskee te
gaan (ook geboortige Belgen hebben die vrijheid), maar van enige toegeving
aan een moslim-groepsidentiteit met aparte rechten kan geen sprake zijn. Wie
daar niet mee kan leven, heeft natuurlijk de vrijheid om elders zijn geluk
te zoeken.
Is de rol van de overheid beperkt, die van opiniemakers
in onderwijs en media is des te groter. Toen ik in mei 1992 in Trends
berichtte over de aktiviteiten en standpunten van de Turks-islamistische
beweging Milli Görüs, leverde mij dat vooral kritiek op, van het type dat De
Ley nu over Vermeulen uitstort. Enkele maanden later was er op de Duitse TV
een reportage van een Duits-Turkse journalist over het zelfde onderwerp, en
van dezelfde waarschuwende strekking. Ik gun het die man gerust dat hij
zulke kritiek blijkbaar wèl mag uiten zonder banvloeken over zich af te
roepen. Het enige dat me eraan stoorde, is dat zijn uitzending niet méér
weerklank gekregen heeft. Waarom niet méér aandacht voor de islamkritische
strekking in de Turkse gemeenschap? Waarom niets over de onthoofde Melallah,
waarom zo weinig over het werk van de tientallen intellektuelen die in
Algerije vermoord zijn? Dit soort media-aandacht is zeer belangrijk in de
natuurlijke selektie van rolmodellen voor de migrantenjeugd, die nu door
vriend en vijand op haar vermeende moslimidentiteit vastgepind wordt. Ik
herhaal het: er is een krachtige kulturele beweging nodig die de
migrantenjongeren helpt om een post-islamitische identiteit te ontwikkelen.
Het alternatief, op termijn, is wat we recent op de
Molukken gezien hebben: rivers of blood. In het minst gewelddadige geval
stevenen we af op wat een militant van de Turks-islamistische Milli Görüs
mij ooit voorspelde: niks geen geweld, op zekere dag worden de moslims
wakker en stellen ze vast dat ze de meerderheid vormen, en dan kondigen ze
langs demokratische weg de islamitische republiek af. Het is echter weinig
waarschijnlijk dat de moslim-voorhoede zo lang geduld zal oefenen, dus
gedurfder machtsgrepen behoren tot de mogelijkheden, gevolgd door reaktie
van de inheemsen, algemene polarizatie die vele gesekularizeerde moslims
terug het islamkamp indrijft, en burgeroorlog.
Er is een wedloop aan de gang tussen de numerieke groei
van de islam, die schijnbaar recht naar de wereldheerschappij voert, en het
binnendringen van de Verlichting in de islamwereld. Het is wiskundig zeker
dat de islam uiteindelijk het onderspit zal delven (volgens mij verdwijnt
hij binnen de eeuw), maar voor het zover is kunnen we nog enkele onaangename
rondjes djihaad meemaken, dichter bij huis dan we gewend zijn.
Racisme en laster
Op het juridische vlak kan men inmiddels stellen dat professor De Ley en
kamerlid Willems zich met hun beschuldiging van "racisme" tegen professor
Vermeulen zelf aan laster en eerroof schuldig gemaakt hebben. De zaak met
beschuldigingen ligt eigenlijk eenvoudig: wie een ander van iets beschuldigt,
is ipso facto zelf schuldig aan laster, tenzij hij zijn aanklacht met
bewijzen hard kan maken. Dat geldt des te meer wanneer men iemand van een
door de wet strafbaar gesteld feit beschuldigt. Wie iemand anders een "moordenaar"
noemt, kan daarvoor zelf vervolgd worden, tenzij de beschuldigde inderdaad
door een bevoegde rechtbank wegens moord veroordeeld is. Welnu, net als
moord is "racisme" een door de wet strafbaar gesteld vergrijp; iemand
valselijk van zulk vergrijp beschuldigen, is daarom zelf ook strafbaar.
De Ley en Willems moeten nu niet afkomen met de elders
misschien verdedigbare uitleg dat "racisme" maar een appreciatie is,
beschermd door de vrije meningsuiting. Je kan niet de twee hebben, enerzijds
racisme strafbaar stellen en anderzijds het recht behouden om iemand zomaar
eventjes racist te noemen. Zij die racisme in het strafrecht wilden, zitten
nu met het gevolg dat men het woord "racisme" niet meer zo licht in de mond
mag nemen. Eigenlijk is er nood aan een rechtszaak die deze beperking op het
loze gebruik van het scheldwoord "racist" expliciet bekrachtigt. Al wens ik
het niemand toe om de ster van zulk een pionierend rechtsgeding te zijn,
want degene die de officiële meute haar geliefkoosde verbale terreurwapen
uit de handen komt slaan, moet vanwege media en overheid niet op enige
fair-play rekenen.
Eén van de nuttige effekten van zulke rechtszaak zou erin
bestaan dat er eindelijk klaarheid komt omtrent de bevoegdheidsafbakening
van Johan Lemans Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding. Recent
bleek dat de post kan weigeren om "racistische" politieke propaganda te
verdelen, waarbij de beoordeling over het "racistische" karakter van de
betrokken teksten aan Lemans Centrum overgelaten wordt. Daar klopt iets niet.
Men kan iemand wegens een strafbaar feit wel voor de rechtbank dagen (desnoods
in kortgeding), maar geen openbare beslissingen baseren op de loutere
verdenking van zulk feit. Men kan een kandidaat-onderwijzer maar weigeren
wegens pedofilie als hij door een rechter wegens pedofiele feiten
veroordeeld is; en is dit laatste niet het geval, dan kan de om die reden
geweigerde sollicitant op zijn beurt de betrokken schooldirektie dagvaarden.
Het CGKR heeft de bevoegdheid om vermeende racisten te dagvaarden, niet om
hen te veroordelen, noch om langs niet-gerechtelijke weg burgers te
benadelen die nooit wegens racisme veroordeeld zijn.
Hetzelfde probleem stelt zich in de kwestie-Vermeulen.
Uit Johan Lemans verklaringen (VRT-Radio 1 en De Standaard, 20-4-2000) kan
men min of meer afleiden dat Leman zelf al informele stappen ondernomen had
om Vermeulens aktieradius te beperken, ondermeer via de Gentse en Leuvense
rektoren, en dat hij nu op resultaten hoopte. Het was maar een interview,
geen beleidsverklaring, dus misschien is er een onjuiste indruk gewekt, maar
ambtenaar Leman zou er goed aan doen om hierover klare wijn te schenken. In
ieder geval gaat hij zelfs met de loutere uitdrukking "het
probleem-Vermeulen" (DS 20-4-2000) al zijn boekje te buiten. Ofwel is
Vermeulen schuldig aan "racisme", maar Leman ontkent dat, want hij behoort
nog tot de oude school die vindt dat disputen over taal of religie niet
onder de hoofding "racisme" thuishoren (anders zouden de Belgische
kommunautaire en levensbeschouwelijke tegenstellingen onder zijn bevoegdheid
vallen, stel je voor). Ofwel -- en dat geeft Leman dus impliciet toe -- is
Vermeulen niet schuldig aan racisme, en dan heeft Leman volstrekt geen
enkele bevoegdheid inzake zijn doen en laten, zelfs niet om hem als een "probleem"
te brandmerken.
Overigens heb ik Leman op debatten al meermalen horen
verklaren dat de racismewet géén "opiniedelikt" invoert, dat hij alleen
effektieve aansporing tot diskriminatie en geen racistische meningen
bestraft. Zo zou het boek The Bell Curve van Richard Herrnstein en Charles
Murray, dat rasbepaalde erfelijke verschillen in intelligentie poneert, niet
verboden kunnen worden. Lemans stellingname tegen Vermeulen doet daar toch
aan twijfelen: heeft Vermeulen, zelfs in de versie van zijn aanklagers, ook
maar één daad van diskriminatie gesteld, of zelfs maar één oproep daartoe
gelanceerd? De hele rel betreft toch ondubbelzinnig de mening van de
professor? Waar haalt ambtenaar Leman het recht vandaan om die mening als
een "probleem" voor te stellen? Politici die zich op hun "demokratisch"
gehalte laten voorstaan, moeten beter vandaag dan morgen het afglijden naar
de aanvaarding van de notie "opiniedelikt" een halt toeroepen. Het is voor
de demokratie van levensbelang om de galopperende ambities van onze
racismebestrijders in te tomen.
De strijd gaat voort
De deontologische uitschuiver van Leman tegenover Vermeulen is wellicht maar
een voorbode van ernstiger kampanjes tegen foute meningen. Zoals de
aanwezigen op het debat tussen Leman en mijzelf (Vlaams-Nationale Debatklub,
30-5-2000) hebben kunnen vaststellen, is de Dominikaan als persoon zeker nog
de kwaadste niet; maar de strukturen die hij voorzit lenen zich tot een veel
verder gaande repressie tegen foute meningen. Vanuit bepaalde
partijpolitieke hoeken wordt inderdaad om een "aktiever" anti-racismebeleid
geroepen, en men kan zich voorstellen dat Lemans opvolger aan die wensen zal
voldoen. Zo besluit prof. De Ley zijn aanval op prof. Vermeulen met de
schijnbaar bezadigde waarschuwing dat we ons niet "hypokriet" op de zondaar
Vermeulen moeten blindstaren: het racisme is immers véél groter en
alomtegenwoordiger. Na de verhoopte eliminatie van de Leuvense prof gaat de
strijd dus verder tegen het racisme in allerlei lagen van de samenleving.
Veel méér mensen moeten aan de schandpaal of op de sofa wegens hun openlijk
of verdoken racisme. Zelfs bij goedbedoelende aktivisten voor de integratie
van migranten is er racisme dat onze niets ontziende aandacht verdient,
aldus De Ley. Het kategorie "racisten" groeit voortdurend aan, en dit
hoogtij spaart zelfs pater Leman niet.
De Ley wordt in zijn waarschuwing tegen het
alomtegenwoordig racisme namelijk bijgetreden door enkele
moslim-gastkolumnisten van De Morgen. Na enkele extreem-linkse akademici is
het nu de beurt aan deze direkt betrokkenen bij de integratieproblematiek om
Leman als racist af te doen. De hele integratiesektor mag volgens Tarik
Fraihi ("Het failliet van de integratie-industrie", DM 8-5-2000) best met de
VB-term "welzijnsmaffia" omschreven worden: mensen die teren op het "migrantenprobleem".
Het hele integratiekoncept zit er voor hem naast: verkapte assimilatie,
paternalistisch, "folklorefestivalmodel". Bijgevolg zouden "de bedenkers van
het huidige koncept, zoals Johan Leman, best de eer aan zichzelf houden en
ontslag nemen".
Sterker nog drukt Mohamed Talhaoui zich uit ("Naar een
aktieve migrantenbewustwording", DM, 25-4). Hij veegt de vloer aan met "de
demokratische schijn van de traditionele partijen" en pleit voor een
radikaal verbod op organizaties die zich "racistisch, xenofoob of
intolerant" opstellen tegenover de moslims of andere minderheden. Enkele
zinnen verder leren we wie allemaal tot de gewraakte kategorie behoort: "Het
integratiekoncept zoals dat tot op de dag van vandaag door de overheid
gedefinieerd en ontwikkeld werd en dat in feite neerkomt op assimilatie, is
mensonterend, racistisch xenofoob en onderdrukkend, en dient van de hand
gewezen te worden." Als de overheid racistisch is, moet ook zij in de ban,
en alvast moet Lemans Centrum omgevormd worden tot "een federale instelling
die zich met niets anders bezighoudt dan met racismebestrijding" en die "geleid
moet worden door een migrant(e)". Alvast één post die op zuiver etnische
basis ingevuld moet worden: volgens de letter van de racismewet is dat
racisme. In ieder geval wil Talhaoui de krypto-assimilationist en verkapte
racist Johan Leman weg: "De bewustwording van de migrantengemeenschap
omtrent dat thema wordt realiteit met de ontslageis van Johan Leman, die de
islamitische gemeenschap al jaren met een kluitje in het riet stuurt." Voilà,
daar heb je het uit de mond van een onverdachte moslim: Dewinter-Leman,
zelfde strijd!
Vanop grote afstand bekeken worden tegenstellingen
kleiner. De tegenpolen Leman en Dewinter groeien naar mekaar toe naarmate
men zich op een extremer standpunt stelt, tot men ze ziet samenvallen in hun
gemeenschappelijke premisse, namelijk het behoud van onze sekuliere
rechtsstaat, waarin iedereen gewoon gelijk is voor de wet. Vanuit een hard
islamitisch standpunt is dat een duivelse eensgezindheid die alle disputen
over migratiebeleid tot onbelangrijke details herleidt. Gelijkheid voor de
wet, met name voor een door de mensen gemaakte wet, is voor echte moslims
immers onaanvaardbaar. Zij interpreteren het begrip "multikultureel" niet
als eufemisme voor "multiraciaal", maar in zijn letterlijke betekenis,
namelijk als de koëxistentie van verschillende kulturen, d.w.z.
gemeenschappen met een eigen taal en een eigen rechtssysteem. Want kultuur
is niet alleen koeskoes en djellaba's en "folklore", het is ook een
maatschappij-ordening en, om maar iets Belgisch-gevoelig te noemen, ook een
taalgemeenschap. Het echte alternatief voor de visie-Dewinter-Leman is een
staat waarin die gelijkheid voor de wet vervangen is door een multikulturele
maatschappij-ordening, waarin de moslims echt hun identiteit en dus hun taal
en rechtsstelsel behouden.
Zulke pleidooien pro balkanizering van onze samenleving
leven dus in de moslimgemeenschap in ons land. Men moet ze niet eens in
Arabische pamfletjes uit moslimboekhandels op de Lemonnierlaan zoeken, men
vindt ze openlijk op de opiniebladzijde van De Morgen. Ze tooien zich in
nieuwe kleedjes als anti-racisme en multikultuur maar blijken bij nader
toezien weinig te verschillen van de strategie die de asielzoekende migrant
(mohadjier) Mohammed gebruikte om Medina van een vrije en gastvrije stad in
een islamitische republiek te veranderen. En dan zouden deskundigen als
professor Vermeulen de aandacht niet mogen vestigen op het probleem dat de
islam stelt?
De afloop
Hoewel rektor Oosterlinck had aangekondigd om binnen enkele weken uitspraak
te doen, duurde het tot 30 september 2000 vooraleer officieel bekend werd
dat professor Vermeulen een "terechtwijzing" of blaam kreeg, de lichtste
straf maar toch een straf. De rektor had al duidelijk gemaakt dat hij de
relaties met Turkije in geen geval verstoord wou zien om het prestigeprojekt
van de KUL-archeologen in Sagalassos niet in gevaar te brengen (Veto 2-5 en
16-5-2000). Het lag dus in de lijn der verwachtingen dat hij Vermeulen een
blaam zou geven: een sanktie om De Morgen en de Turken tevreden te stellen,
maar ook de lichtste sanktie om het incident niet verder te doen eskaleren.
Weinigen hadden verwacht dat het tot een schorsing zou
komen, want dat zou tot verdere polemieken en wellicht tot een dispuut voor
de arbeidsrechtbank geleid hebben. Zoals iedereen weet zijn katholieke
schooldirekteurs uiterst beducht voor kontroverse; daarom dus geen schorsing.
Uit bezorgdheid om de goede naam van hun school plooien zij zich naar de
heersende normen; vroeger keken zij daarvoor naar de Kerk, nu naar de
progressieve opinieleiders in de media. Dus toen Yves Desmet zijn banvloek
tegen Urbain Vermeulen uitsprak, sprong rektor Oosterlinck meteen in de
houding: tot uw orders, eminentie. De dag zelf nog verklaarde hij aan de VRT
dat hij een sanktie zou treffen, en dat is vijf maanden later dus een
officiële blaam geworden.
Dit verloop van zaken illustreert een belangrijk feit
omtrent het huidige opinieklimaat: bij gebrek aan de formele strukturen van
een diktatuur kunnen de totalitair-linkse opinieherders, die tenslotte
slechts een kleine minderheid vormen, hun wil maar opleggen via de
medeplichtigheid van quislings uit de bourgeoisie. Middels verbale terreur
kunnen de blaffende herders deze schaapjes gemakkelijk in de gewenste
richting drijven. De brave burger die gezien heeft hoe elke uit-stekende
nagel platgeklopt wordt, en hoe anderen in hun professioneel en sociaal
leven beschadigd geworden zijn door beschuldigingen van "racisme", hoedt er
zich dan wel voor om uit de pas te lopen. Sterker, om zich helemaal in te
dekken tegen het risiko van beschuldigingen, gaat hij zelf aktief mee de
voorgeschreven opinie opleggen en de afwijkende meningsuitingen aan de kaak
stellen en bestraffen. Vandaar dus de terechtwijzing van Vermeulen door de
rektor.
De geblameerde professor wendde zich vervolgens tot de
beroepskommissie van de KUL, bestaande uit kollega's professoren. Pas in
januari 2001 raakte bekend dat die hem in december 2000 in het gelijk
gesteld had. Zijn naam is dus geklaard: er rust geen KUL-blaam op Urbain
Vermeulen. Tegelijk raakte bekend dat de rektor deze kommissie haar
bevoegdheid om zich in de toekomst in beroep over dergelijke betwistingen
uit te spreken, ontnomen had. De Campuskrant, het officiële orgaan van de
KUL, had uitvoerig aandacht besteed aan Vermeulens blaamwaardige uitspraken
en de kritiek daarop, maar liet na zijn "vrijspraak" onder de aandacht te
brengen. Ook de media brachten het bericht slechts terloops, en geen enkele
hoofdredakteur of gastkolumnist wijdde er een kommentaarstuk aan. Er zat
voor de professor niets anders op dan zelf zijn kollega's aan te schrijven
om de goede afloop te melden. Uiteraard kan dat de schade die aan zijn
reputatie toegebracht is, niet ongedaan maken. Ook de mediadood van
Vermeulen als duider bij het islamnieuws is niet opgeheven. Andere
islamdeskundigen zullen deze les wel ter harte nemen.